Nieuwsbrief nr. 13 – januari 2012

 

13.1 Van het bestuur.

We staan weer aan het begin van een nieuw jaar, wat het ons zal brengen zal de toekomst leren.
Het afgelopen jaar kenmerkte zich vooral door de euro crisis, bezuinigingen zijn aan de orde van de dag,  subsidies worden verminderd of helemaal afgeschaft. De Oudheidkamer is in de gelukkige omstandigheid niet afhankelijk van subsidie te zijn, onze donateurs maken het ons mogelijk datgene te doen wat u, gezien de belangstelling voor onze tentoonstellingen,  zeer waardeert.
Wij van onze kant waarderen uw bijdrage als donateur heel erg!!

De tentoonstelling “Rozengeur en Maneschijn” trok tot op heden heel veel bezoekers,  die allemaal enthousiast waren en vaak aangaven zeker nog eens terug te komen. Het bestuur heeft  derhalve besloten de fotocollectie uit te breiden en de expositie  te verlengen tot de zomervakantie van 2012.
Zoals vroeger  in de vitrine van de Bioscoop  te lezen was:  “Wegens succes geprolongeerd ”.

Naast de zaterdagopeningen waren we ook afgelopen jaar weer present op Monumentendag, Landbouw- en Polderdag. Met de  4 mei herdenking hebben we klassen van basisscholen uit onze gemeente ontvangen, werden diapresentaties verzorgd, etc.
Ook hebben we vorige maand afscheid genomen van onze medewerker  Jan van Rossum die, na zich na vele jaren voor de Oudheidkamer te hebben ingezet, gezien zijn hoge leeftijd  te kennen gaf te willen stoppen.  Gelukkig werd ons team versterkt met twee nieuwe medewerksters, Lutske Vinke-Groenenboom en Ria Geeve-Holwerda, die inmiddels al volop mee draaien.  Al met al kijken we terug op een goed  jaar  van de Oudheidkamer en gaan vol vertrouwen  2012 tegemoet.

Namens bestuur en medewerkers een voorspoedig en gezond 2012 toegewenst.

Arie Beukelman, voorzitter.  

 


13.2 De nieuwe veldwachter

 

In het jaar 1911 kreeg Poortugaal een nieuw gemeentehuis. In 1912 kwam er een nieuwe veldwachter, Matthijs Weststrate. Hij nam met vrouw en vier kinderen zijn intrek in het nieuwe gemeentehuis, dat voor de helft bestemd was als dienstwoning van de veldwachter.

Weststrate was afkomstig uit Heinkenszand op Zuid-Beveland, hij werd op 15 april 1878 geboren als zoon van Marinus Weststrate en Maatje Visser, die in 1877 waren gehuwd, 22 en 21 jaar oud. In 1880 overleed vader Marinus, Matthijs was toen twee jaar oud, en twee maanden later werd er nog een zusje geboren. De moeder moest gaan werken om te overleven en kon dus niet voor twee kleine kinderen zorgen. Matthijs werd door zijn grootouders in huis genomen en door hen opgevoed.

In 1889, toen Matthijs elf jaar was, overleed zijn grootmoeder. Matthijs leerde, evenals zijn vader en grootvader, het timmermansvak, opa was timmerman-aannemer. Maar in 1893, 15 jaar oud, tekende hij een contract voor 12 jaar dienst bij de Marine, mogelijke oorzaak hiervan kan zijn geweest, het ontbreken van een moederfiguur. Hij ging eerst naar een opleidingsschool in Leiden, werd in 1895 lichtmatroos, later matroos derde klas, matroos tweede klas en in 1902 torpedist. Hij heeft achtereenvolgens op elf verschillende marineschepen gevaren, waaronder ramschip H.M. Buffel, nu als museumschip liggend bij het Maritiem Museum in Rotterdam.

In 1904 werd hij uit dienst ontslagen wegens lichamelijke gebreken, welke gebreken is niet bekend, zal wel een smoes geweest zijn, afslanking van het onderdeel of zo, niets nieuws onder de zon.

 

Intussen was Weststrate getrouwd op 15 maart 1903, met Willemijntje Boutkan uit Nieuwenhoorn en was gaan wonen in Hellevoetsluis, toen een marinehaven. Zijn volgende baan was brugwachter in Oudenhoorn, waarschijnlijk van een brug over het Voorns Kanaal.

Op 31 juli 1912 kwam Matthijs Weststrate in dienst van de gemeente Poortugaal als bode, zoals in zijn contract stond, ook van Albrandswaard (de polder), maar dat bodeschap zal toch wel een soort veldwachterschap geweest zijn, denk ik. Verdiensten ƒ 5,– per week. Hij betrok zijn dienstwoning in het gemeentehuis met vrouw en vier kinderen. In Poortugaal kwamen er nog twee dochters bij, hij had toen vier meisjes en twee jongens.

Het salaris was, wat je noemt, geen vetpot. Dus ging Weststrate een aantal nevenactiviteiten beginnen, waarvan één van de voornaamste was, vertegenwoordiger van R.V.S. Verzekeringen. Hij leidde ook openbare verkopingen als afslager, wanneer b.v. boerderij-inboedels werden verkocht. Hij had ook een flinke volkstuin langs de stoomtramlijn, zodat het gezin zomer en winter eigen groenten en aardappels had. Om in de tuin te werken verwisselde hij tussen de middag snel zijn uniform voor een werkpak en ging als een speer naar de tuin om daar een uurtje te kunnen werken.

Blijkbaar mochten ambtenaren in die tijd nevenfuncties hebben. Zijn hoofdfunctie zal in die jaren ook niet al te zwaar zijn geweest, want wat gebeurde er vóór 1940 nu in zo’n dorp. Inbrekers waren hier onbekend, de mensen deden ‘s nachts hun deuren niet op slot, verkeersdelicten waren er ook niet, er waren nog zo goed als geen auto’s, verkeerslichten ook niet, er werd dus niet door rood gereden, de Groene Kruisweg werd pas begin jaren dertig aangelegd. Fietsen waren er wel meer, maar men deed keurig zijn licht aan als het donker was en was dat een enkele keer niet het geval, dan waarschuwde Weststrate: “Hé, je moet je licht aandoen, als de politie het ziet, krijg je een bekeuring”. Weststrate was een gemoedelijke man, in voor een grap, geen dienstklopper.
Inbraken, straatschenderij, vernielingen (vrijdag- en zaterdagnacht door halfdronken jongelui), het kwam niet voor.

Café’s moesten om 22.00 hooguit 23.00 uur sluiten. Kwam de veldwachter binnen, dan wist men dat het tijd was en ging iedereen zonder problemen naar huis. Natuurlijk zal er wel eens iemand die wat te ver boven zijn theewater was, buiten gezet zijn. Verder moest Weststrate de orde en rust in het dorp handhaven, b.v. door voetballende jongens weg te sturen. Hij zei dan: “Je mag hier niet voetballen, ga maar naar de bietenkaai”. Dat was de los- en laadplaats aan de haven. Weststrate hield hier zelfs de bijnaam “Bietenkaai” aan over.
Weststrate had altijd een hond bij zich, hij trainde hem zelf op het terrein van Maasoord (nu Delta Psychiatrisch Centrum). Als hij voetballende jongens wegstuurde en ze luisterden niet, liet hij de hond de bal in beslag nemen. Veel later had mevrouw Weststrate een hulp in de huishouding, die trof op de zolder een teil vol voetballen aan.

Ook was hij natuurlijk bij alle evenementen en festiviteiten in het dorp aanwezig, Koninginnedag, bejaardenreis, jubileum burgemeester F. v.d. Poest Clement (25 jaar burgemeester in 1937), fancy fairs t.b.v. het Groene Kruis, enz. enz.
Een andere taak van Weststrate was de huur innen van de huizen aan de Toekomststraat, die waren eigendom van de burgemeester samen met Cors Warnaar, timmerman-aannemer, en verder alle mogelijke karweitjes doen voor de burgemeester privé.
Vakantie had de veldwachter niet, 24 uur per dag, 7 dagen per week dienst, een enkele keer mocht hij dan wel eens een dag weg, b.v. voor familiebezoek, uiteraard alleen met toestemming van de burgemeester, die zei dan: “Maar niet te laat terug zijn hoor”.

Na 10 mei 1940 zal hij het wel drukker en moeilijker gekregen hebben, men kreeg toen met voorschriften en opdrachten van de Duitse bezetters te maken en met calamiteiten. In het dorp viel een vliegtuigbom: één dode en een paar gewonden en veel schade, notaris Bennink verloor daarbij een been. Een neerstortend vliegtuig en tengevolge daarvan een afgebrande boerderij, een overval op het distributiekantoor in het gemeentehuis door de knokploeg van Johannes Post. Inkwartieren van Duitse militairen, vorderen van woningen voor officieren, maar ook concerten gegeven door een Duits muziekkorps, bewaking van het distributiekantoor en vele andere zaken, waar Weststrate ongetwijfeld zijn bemoeienis mee had. Voor zover bekend heeft Weststrate gelukkig nooit in opdracht van de bezetters discutabele arrestaties behoeven te verrichten, wel zou hij eens zelf van de Duitsers onwelgevallige opmerkingen zijn verdacht, maar door positieve getuigenis van collega’s liep dit met een sisser af.

 

Een anekdote uit de oorlog is nog dat Weststrate zijn radio in het gemeentehuis verstopt had, want ook hij had eigenlijk zijn radio, op last van de bezetters, moeten inleveren. Eén persoon, een collega, wist dat. Toen Weststrate na de oorlog zijn radio wilde ophalen, was hij verdwenen. Hij ging bij de bewuste collega kijken en trof de radio spelend aan, hij nam hem mee.

In 1933 had de gemeente meer ruimte nodig in het gemeentehuis en is de familie Weststrate vertrokken naar een huis aan de Kerkstraat, wat voor hen gebouwd was, nog steeds dicht bij het werk.
Op 1 maart 1943 werd Weststrate bevorderd tot opperwachtmeester der Staatspolitie, 1 oktober 1943 kreeg hij eervol ontslag als rijksveldwachter, hij was toen 65 jaar oud. Hij ging echter niet met pensioen omdat de burgemeester, die zelf nog een aantal jaren op zijn pensioen moest wachten, hem niet wilde missen, die wilde niet voor zijn laatste jaren aan een nieuwe veldwachter wennen.

Weststrate bleef in dienst tot 1 oktober 1948 en ging dus op 70-jarige leeftijd met pensioen.

Roelof Dubel, bestuurslid.


13.3 De Rotterdamsche Tramweg Maatschappij

Iedereen van ca. 50 jaar of ouder zal zich ongetwijfeld het trammetje oftewel het “moordenaartje” herinneren dat  o.a. van Rotterdam naar Oostvoorne en Hellevoetsluis reed.
Onderstaand leest u het een en ander over de geschiedenis van de R.T.M.:

De Rotterdamsche Tramweg Maatschappij of kortweg de R.T.M. werd opgericht in 1878 met het doel tramlijnen in en buiten Rotterdam aan te leggen en te exploiteren. In 1879 werd de paardentramlijn tussen het Beursplein en Crooswijk geopend en een jaar later bezat de maatschappij al zes lijnen. De eerste stoomtramlijn was die van Rotterdam naar Delfshaven in 1881 en een jaar later naar Schiedam. Het streven om ook stoomtramdiensten naar de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden te stichten, kreeg in 1898 gestalte toen de tramlijn van Rotterdam-Zuid (Rosestraat) naar de Hoekse Waard in gebruik werd gesteld. In 1904 opende de R.T.M. met de lijn Rosestraat-Spijkenisse de dienst op West-IJsselmonde, dus Rhoon, Poortugaal, Hoogvliet en Spijkenisse.

Een jaar later naar Hellevoetsluis en in 1906 naar Oostvoorne. Vooral deze laatste lijn was belangrijk voor de vele badgasten die ‘s zomers in groten getale uit Rotterdam en omstreken naar het strand trokken. Vanuit Oostvoorne-dorp ging de tramlijn zelfs nog verder tot aan het strand. Heel veel inwoners van Rhoon, Poortugaal en Hoogvliet maakten daar ‘s zomers gebruik van en ook heel veel schoolklassen profiteerden daarvan, want vakantie vieren op de Veluwe, Limburg of Brabant was er nog niet bij in die tijd, laat staan in het buitenland. Wie is er destijds niet met zo’n reisje mee geweest!
De tram gaf de mogelijkheid om voor die tijd redelijk snel te reizen en goederen te vervoeren en verloste het gebied buiten Rotterdam uit een isolement.

Zelfs tuinders in Poortugaal brachten zo in de jaren ’30 met een kruiwagen hun producten, zoals groente, aardbeien, aalbessen, etc. naar het station om vandaar naar de groentemarkt in Rotterdam te gaan. Ook koeien en paarden werden door de R.T.M. vervoerd en vonden zo hun weg naar de veemarkt in Rotterdam.
Veel schoolkinderen moesten in de jaren ’40-’45 noodgedwongen ook met het “trammetje” vanwege het gebrek aan fietsbanden.

De maatschappelijke vooruitgang eiste in de loop van de tijd echter ook zijn tol: Overal langs de lijnen veroorzaakte de tram veel verkeersslachtoffers, vandaar dat hij al spoedig de “moordenaar” genoemd werd.
In de loop van de jaren dertig werden ook tal van R.T.M.-autobusdiensten in gebruik genomen en dat betekende ook min of meer de ondergang van de stoomtram.
Op 6 november 1965 was het zover dat de allerlaatste tram naar Hellevoetsluis reed.

Maar wie ooit met het “trammetje” heeft gereisd, voelt toch een bepaalde nostalgie naar weleer. Dat was waarschijnlijk destijds ook het geval bij de Poortugaalse mevrouw A.G. van Dieyen-van Gemerden, alom bekend om haar leuke gedichten. Zij dichtte op 18 november 1965 via “De Botlek” als volgt:

 

“Het trammetje.
Vaarwel m’n oud lief trammetje,
‘k Zie je met weemoed gaan.
Ruim 60 jaar was j’ons ten dienst,
Nu heb je afgedaan.
In ‘t raam van de moderne tijd,
Word jij niet meer geduld,
Maar al die jaren heb je toch,
Zo trouw je taak vervuld.
Hoe moet het in ‘t hoogseizoen,
bij sneeuw en ijs toch gaan?
De moeder met het kleine kind?
Waar moet de wagen staan?
En bij de kou die er thans heerst:
We moeten met de bus,
Als haringen opeengepakt.
Wie wijst er aan een plus!
Terwijl ik schrijf ga je voorbij.
Ik heb je nagestaard,
Jij hoort in onze polders thuis.
Waarom jou niet gespaard?
Wat zin heeft toch dat snelverkeer,
Het gaat nooit “hard” genoeg,
‘t Verdrijft de landelijke rust.
Geef mij mijn trouwe “Zug”.
Vaarwel m’n ouwe trammetje,
‘k Zag U met weemoed aan.
Ik groet en wens al ‘t personeel,
Dat het U goed mag gaan.

Izak Konings, bestuurslid.

 


13.4 Gas, water en elektriciteit in het buitengebied.

Mijn ouders hebben in 1924-’25 een boerderij laten bouwen aan de Pernisseweg (in de stilte en het donker). Daar was geen water, stadsgas of elektriciteit. Er lag wel een grote gasbuis door de Pernisseweg van Pernis naar Poortugaal, maar niet voor ons. In Pernis stond een gasfabriek.

Water kwam van de regen van het dak. Er was een regenput gegraven en gemetseld en een pomp in de keuken. In de zomer als het lang droog was, ging mijn vader met paard en wagen met melkbussen water halen in Pernis, bij oom Rinus.

 

We hadden brongas. Een grondboorbedrijf (Lierop of Nierop?) had met sondering een nortonbuis van 20 cm. middellijn ingebracht tot ze op  grint en water kwamen (± 23 m.), daar kwam een houten buis in met gaatjes, bekleed met fijn kopergaas. Water en gas kwamen daar doorheen naar boven. Boven lag een ronde houten schijf met gaatjes, die het water en gas splitste. Er is een gat gegraven van 6 m. middellijn en 3 m. diep. Daarin lag de gashouder, die dreef op het water en gas.

Het gas ging naar de boerderij, het water naar een wel (4-8°) waar melk in werd gekoeld en water werd uitgepompt voor de koeien. De rest ging de sloot in, die nooit bevroor, zelfs niet in 1942-1943 met strenge vorst.

(Foto: Mariahoeve aan de Pernisseweg)

Na ongeveer 25 jaar raakte het gas in de grond ook op en toen is er 25 meter verder in de tuin een persgashouder geplaatst. Er is weer gesondeerd en zo een leiding naar de moeder-gashouder gelegd. In de boerderij waren lampen met kousjes, ook in de koeienstal. Er was een gaskachel in een slaapkamer en het eten werd ook op gas gekookt.
Voor het water dat in de sloot liep, moest elk jaar een klein bedrag worden betaald (ƒ 75,–).

In 1953 was het gedaan met gas en water. Wilton Schiedam ging water onttrekken voor het graven van een nieuwbouw dok, dus voor ons geen gas en water meer. We hebben toen Rotterdam nog aansprakelijk gesteld. We kregen daarna waterleiding vanaf de Vondelingenweg (535 m.) voor de koeien en butagasflessen voor koken en verlichting.

Sinds 52 jaar is er nu aardgas uit Slochteren, maar die bron is ook al weer voor meer dan de helft leeg, straks komt het uit Rusland.

In juli 1958 ben ik van de Pernisseweg naar de Molenpoldersezeedijk in Rhoon vertrokken. Thuis was er geen gas en elektriciteit en hier was geen water en gas. Regenwater ging ook in een regenput, met een pomp in de keuken. Toen er een baby geboren werd, trok de baker de zwengel te hoog (lens), waarna er geen water meer was. Dat betekende wachten tot Siem thuis kwam. Hij goot dan water boven in de pomp en er was weer water. Als het droog weer was in de zomer, kwam de waterwagen met de heer Dorst ons gratis water brengen. Pas in 1962 kregen we water. Koken deed ik elektrisch, later op butagas. De verwarming werkte met hout en kolen en op stee later centrale verwarming op olie. Dat is allemaal voorbij, sinds 2000 hebben we gas, kabel en riolering.

Lien Barendregt-Pons, medewerkster.


13.5 Oproer in Poortugaal

Als we, zoals afgelopen zomer, op verschillende plaatsen opstootjes en vernielingen zien, zijn we  geneigd  te klagen over de huidige tijd, waarin in onze beleving de normen vervagen.
Dat het echter van alle tijden is toont bijgaand artikel duidelijk aan.
Wat gebeurde er namelijk al weer ruim andere halve eeuw geleden in Poortugaal?

De chirurgijn van  Poortugaal  was Johannes Jacobus van der Windt. Hij was geboren in Vlaardingen op 31 mei 1819 als zoon van Arij van der Windt en Johanna Jacoba Mojet. Kennelijk was er iets aan de hand met onze dokter  want op 2 juli 1846 kwam chirurgijn Joseph Willem Frederik Scheffer uit Zaandam als plaatsvervanger van dokter  Van der Windt naar Poortugaal.

Op 3 juli 1846 werd Van der Windt door de deurwaarder, vergezeld van twee dienders, opgehaald en gevankelijk naar Dordrecht afgevoerd. Dit alles als gevolg van een schuld van 150 gulden!

Diezelfde dag is er  ’s avonds een oproer in de Dorpsstraat. Aalbert Jol en zijn vrouw Martijntje Korving werden uit hun huis gesleurd , geslagen en  mishandeld.  De ramen werden ingegooid en wel 100 dakpannen van het huis gegooid, de heining werd vernield enz. Dit alles omdat men meende dat Jol  de dokter verraden had. Had dokter Van der Windt wellicht schuld bij Jol ? We  vermoeden het, maar weten het niet zeker. De burgemeester probeerde  de gemoederen met zachte hand te kalmeren, dit hielp echter niet, pas om 1 uur ’s nachts kwamen de gemoederen tot bedaren.

Dit muisje bleek echter een lange staart te hebben. Burgemeester Kluit rapporteerde e.e.a. bij de Gouverneur (Commissaris van de Koning) en deze kwam hoogst persoonlijk op 24 juli naar Poortugaal. Op 8 september 1846 werden  burgemeester  P.C.  Kluit,  Arie van der Waal, Sijmon Buizer en Aalbert  Jol als getuigen van de straatschenderij gedagvaard  door de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht.

Op 11 september daaraanvolgend werden Paulus Bijl,  Cornelis Bijl,  Cornelis Hoogstad, Teun Hoogstad,  Arij den Ouden, Arij van der Stoep,  Leendert Verhoef, Jan Koster en Evert Knippel gedagvaard te Dordrecht wegens straatschenderij. De uitspraak was niet mis:  P.Bijl en C. Hoogstad werden veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf. Arij  den Ouden, Arij  van der Stoep en Jan Koster  ieder tot 3 jaar gevangenisstraf. De andere gedaagden  werden kennelijk vrijgesproken. De vijf veroordeelden bleven aanvankelijk nog op vrije voeten.
Op 20 april 1847 diende voor het provinciaal hof het hoger beroep dat de veroordeelden hadden aangespannen. Zij werden vertegenwoordigd door de advocaten mr. Levysohn en mr. Pit.

Het nieuwe getuigenverhoor dat op verzoek van de appellanten voor het hof werd gehouden,  gaf het Openbaar Ministerie, waargenomen door de  advocaat-generaal La Grappe Dominicus, aanleiding tot onmiddellijke inhechtenisneming van de verdachten.
Op 1 juli 1850 kwamen Arij den Ouden, Arij van der Stoep Hzn. en Paulus Bijl na hun straf in de gevangenis van Hoorn te hebben uitgezeten, weer thuis in Poortugaal.

Hoe het dokter Van der Windt vergaan is weten we (nog) niet precies. Wèl weten we dat hij als scheepsarts aan boord van het Fregatschip “Cornelia Henriëtte” op 5 april 1856 in de haven van Akyal is overleden.

 

Fregatschip  “Cornelia
Henriëtte” op de rede van Deshima 1853.

 Zoals ik al vermeldde, speelde dit alles zich af in de Dorpsstraat. Na de hevige  brand op 13 juli 1843, uitgebroken  bij de timmerman Gerrit Zevenbergen,  waarbij  ook de wagenmaker Cornelis van der Schee afbrandde en 7 huisgezinnen dakloos werden, werd door  Aalbert Jol, opziener der jacht,  op het afgebrande erf een nieuwe woning gebouwd (later bakkerij Vermaat en de Reus).

Aalbert  Jol is geboren 20 maart 1801 in Scheveningen, hij  trouwt op 23 augustus 1823 in Scheveningen met Martijntje  Korving,  geboren 28 november 1802 in Scheveningen. Zij overleed op 4 september 1846 in de leeftijd van 44 jaar aan zware koortsen. Was dit misschien een gevolg van wat haar op 3 juli overkomen was? Het zal ongetwijfeld meegespeeld hebben bij de veroordeling van de 5 dorpsgenoten.

Hoe verging het onze veroordeelde dorpsgenoten?  Laten we er een  volgen:
Arij van der Stoep is geboren 15 september 1822 en trouwt  met Geertrui Leeflang. Na haar overlijden trouwt hij met Annetje Molenaar. Hij wordt nachtwaker in Poortugaal en is de vader van o.a. Geert. Zij trouwde in 1882 met Willem Verschoor, hij overleed in 1891. De oudere lezers zullen haar ongetwijfeld herinneren als Geert  van de schoenmaker, moeder van schoenmaker Dirk Verschoor.
Nog zie ik in gedachten de berg tot op de draad versleten schoenen liggen in de schoenmakerij , recht tegenover de Oudheidkamer, die Dirk vaak onder het uiten van ijselijke krachttermen  aannam en  met de inwonende knecht Willem van Noort moest repareren. Naast schoenmaker was hij ook telegrambesteller en getuige bij de notaris.  Een van de zonen  van Arij van der Stoep,  Klaas, had trouwplannen met Pietje Beukelman, dochter van Samuel Beukelman, landbouwer,  en Maaike Molendijk.
Samuel Beukelman weigerde aanvankelijk echter toestemming te geven voor dit huwelijk. Volgens mijn grootvader Arie Beukelman vanwege het feit dat de vader,  om het vriendelijk te zeggen, niet gunstig bekend stond.
Het jonge paar zette echter door,  trouwde en maakte plannen om  naar Amerika te emigreren.

Op de dag van vertrek, 26 maart 1892, is Samuel naar Rotterdam gereisd (waarschijnlijk onder druk van zijn vrouw) en heeft getracht ze over te halen In Nederland te blijven. Alles zou vergeven en vergeten zijn. Het jonge paar zette echter door. In Amerika werd een zekere welstand bereikt, maar men heeft elkaar nooit weergezien.    

 

    Boerderij van Klaas van der Stoep.
In het rijtuig Klaas van der Stoep en dochter Adriana, daarachter Pietje van der Stoep-Beukelman met Anna. Op de wagen Arie met Maaike van der Stoep.  Grand Rapids Michigan.

 Arie Beukelman, voorzitter.


13.6 Onverwacht  bezoek
(Zoekt en gij zult vinden.)

Afgelopen zomer kregen we bij de Oudheidkamer een onverwachte bezoekster. Nu is dit niets bijzonders, dat overkomt ons regelmatig en u ongetwijfeld ook. Deze bezoekster was echter niet alledaags, zij stelde zich voor als Mary Warbasse, wonende in Amerika en op bezoek bij haar dochter in Wassenaar, die voor twee jaar in Nederland verbleef. Zij was op goed geluk naar Poortugaal gekomen op zoek naar gegevens over haar voorouders die volgens haar uit Poortugaal kwamen. Volgens de summiere gegevens die ze bij zich had, zou het gaan om een familie Van Bree, beslist geen Poortugaalse naam. Echter bij mij ging een belletje rinkelen. Ik vertelde haar dat volgens mij een familie Van Bree, die klompenmakers waren en aan de Welhoeksedijk woonden, rond 1850  naar Amerika vetrokken was. Wij vertelden haar dat de  Oudheidkamer helaas geen genealogische afdeling heeft. Gezien echter haar summiere gegevens, vreesde ik dat zij weer onverrichter  zake  terug naar Amerika af zou reizen. Ik heb haar toen toegezegd  in mijn persoonlijk archief te kijken of ik iets voor haar kon betekenen. Onze secretaris, Annie van der Veen, heeft met haar een wandeling door het dorp gemaakt, o.a. naar de haven met de Welhoeksedijk waar haar voorouders woonden en de Nederlands Hervormde kerk. Dit werd door haar erg gewaardeerd!
Thuisgekomen kon ik na enig zoeken inderdaad haar familie traceren. Haar betovergrootvader was François van Bree, vleeshouwer. Hij woonde in het pand van bakker Rook.
Zijn vader, Hermanus van Bree, geboren ca. 1673 in Mierloo Noord Brabant, was begin 1700 naar Poortugaal gekomen, hij trouwde in  1704 met Sijtje Tempelaar. Hermanus van Bree was wever van beroep en woonde aan de Welhoeksedijk. Daar waar de bocht in de dijk naar rechts afbuigt richting Hoogvliet, werd het vanouds Wevershoek genoemd, zoals vele oudere Poortugalers zich nog wel zullen herinneren.

Ary van Bree, de klompenmakerszoon van François, trouwde met de weduwe van beurtschipper Pieter Romeijn. Zij emigreerden in  1849 met o.a. de kinderen Romeijn en de diensbode naar Noord Amerika. Zijn broer Isaac van Bree, timmerman in Nieuwerkerk aan den IJssel,  volgde enige jaren later.

De familie Van Bree vestigde zich, zoals zovele Hollanders, in Michigan, waar tot op de dag van vandaag  nog vele Van Bree ’s wonen.

Het gaf ons allemaal een goed gevoel dat mevrouw Warbasse naar huis kon gaan met de informatie, die zij hoopte te vinden!

 

Foto’s: Zeeland, Michigan Historical Society archives

Toen ze weer thuis was, mailde mevrouw Warbasse ons deze foto´s uit haar familie-album.
De foto´s zijn genomen in Zeeland, Michigan.

Arie Beukelman, voorzitter.

 


13.7 De familie Vermaat van boerderij Buitenlust

 

 Enige tijd geleden ontvingen we per post een schoolschrift met een begeleidend briefje. Een mevrouw uit Breda had het schriftje aangetroffen in de spullen van haar vader, die onlangs overleden was. Het bleek het stageverslag te zijn van C. Kustermans, die in de jaren 1947-1948 de middelbare landbouwschool in Dordrecht bezocht en stage liep op boerderij Buitenlust (aan de Achterweg in Poortugaal, waar nu de sportschool gevestigd is) van de familie Vermaat.

In het document beschrijft hij de bedrijfsvoering op de boerderij. Eerst is er een kaartje met daarop alle percelen bouw- en weiland. Deze percelen waren nogal verspreid door het dorp. Er waren geen stukken land buiten de gemeentegrenzen. Hij beschrijft uitgebreid de drainage en de samenstelling van de grond van de verschillende percelen.

Dan volgt een plattegrond van de boerderij en stallen, met een verklarende beschrijving. De bezittingen aan machines, landbouwwerktuigen, gereedschappen en wagens komt aan de orde en de levende have zoals koeien, paarden en schapen. Vervolgens beschrijft hij welke gewassen werden geteeld en wat er mee werd gedaan, voor eigen gebruik, voor veevoer of voor verkoop. Wat het vee betreft: het melken en wat er met de melk gebeurde wordt ook beschreven.

Tot slot geeft hij een overzicht van alle functies die Gerrit Vermaat in verschillende organisaties bekleedde.
Het document geeft ons een aardig beeld van het boerenbedrijf vlak na de oorlog. Het bedrijf van Vermaat bestaat al tientallen jaren niet meer. Veel percelen die hij (met naam) noemt zijn inmiddels bebouwd.
Het verslag is niet erg geschikt om in de nieuwsbrief af te drukken, omdat er nogal wat tekeningen in opgenomen zijn. Als u interesse heeft ligt het in de Oudheidkamer voor u ter inzage (of u kunt er voor € 5,– een kopie van kopen), of u kunt het op onze website vinden onder het hoof Service.

Laat de mensen maar praten….

Deze zomer kregen wij een map met interviews, gehouden door J.H. van Wijk met de titel “Laat de mensen maar praten..”, Poortugalers aan het woord over het verleden van hun dorp.
Het zijn interviews uit 1997 met Gerrit den Otter en zijn vrouw Elisabeth den Ouden, met Maarten Verheij en Jan Groenenboom, beide bewoners van De Hooge Werf en met Thomas Arie Kabbedijk.
Poortugaal in oorlogstijd – Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog door H.J. Vermaat (geschreven in 1983).
Watersnoodramp op 1 februari 1953 – Herinneringen opgetekend door H.J. Vermaat.
De Kieuwelander, dagelijks verschijnend illegaal nieuwsblad voor Poortugaal en omstreken nr. 39 van 23 april 1945.
Deze stukken zijn ook op onze website te vinden onder het hoofd Service – Publicaties – Poortugaal.

Annie van der Veen, secretaris.

Nieuwsbrief nr 13 – januari 2012