Nieuwsbrief 17 – Januari 2014

17.1 Van het bestuur

 

“Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen”, ongetwijfeld kent u dit lied. Ook 2013 is al weer geschiedenis en we staan op de drempel van een nieuw jaar met weer nieuwe uitdagingen en kansen.

De Oudheidkamer kijkt met tevredenheid terug op het afgelopen jaar. Zowel de expositie in het teken van de Watersnoodramp 1953, als de expositie met de nadruk op het boek “De Vergelding” van onze dorpsgenoot Jan Brokken werd uitstekend bezocht.

Beide exposities riepen vele, voor sommige mensen vaak dramatische, herinneringen op.

Het was fijn om te zien hoe mensen elkaar, vaak na vele jaren, weer ontmoetten tijdens hun bezoek en herinneringen ophaalden. Vooral voormalige bewoners van het Sluisje, waar de dramatische gebeurtenis op 11 oktober 1944 zich heeft afgespeeld, waren erg geïnteresseerd en uitten hun waardering dat de Oudheidkamer zo het verleden levend hield.

Onze diavoorstellingen werden druk bezocht, voor ons fijn om dan ook nieuwe gezichten te zien, mensen die vaak weer met aanvullende informatie komen.

De nieuwe tentoonstelling zal in het teken staan van foto’s van (grote) gezinnen, waarvoor al enkele malen een oproep is geplaatst in de lokale bladen. Verder is er een selectie van foto’s te zien van boerderijen uit het boek “Rhoonse Boerderijen en hun Bewoners”, dat in maart 2014 verschijnt.

Wij verwachten dat u ook in 2014 onze Oudheidkamer weer met een bezoek zult vereren!

 

Namens bestuur en medewerkers van de Oudheidkamer wens ik u een gezond en voorspoedig 2014!

 

Arie Beukelman, voorzitter.


17.2 Wilhelmus Gerardus en Gerardus Wilhelmus Geeve

 

Leende is een klein dorp ten zuidoosten van Eindhoven. In 1688 overleed daar ene Henricus Jan Geven, zijn geboortedatum is niet bekend, hij was r.k. van geloof, wat vrij logisch is want het grootste deel van Brabant is na de Hervorming in de 16e eeuw rooms gebleven.

Deze Geven is de eerste persoon van die naam, die in de archieven is terug te vinden; hij is de stamvader van de Geeve’s in Rhoon.

 

Eén van de zoons van deze Henricus was Antonius, geboren in 1660, ook r.k. gedoopt. Hij maakte ten opzichte van zijn voorgaande en komende familie een zijsprong in twee opzichten: hij trouwde in 1688 met Geertien Stroobant in Dinxperlo in Overijssel in de hervormde kerk. Een zoon uit dit huwelijk, Antonij Geeve, geboren in Dinxperlo in 1702, trouwde in 1730 met Joanna Pietersdr. Van Hal in Rhoon, weer in de r.k. kerk en bleef in Rhoon wonen.

In 1744 kregen zij o.a. een zoon, Antonie genoemd. Hij trouwde in 1771 in Wassenaar met Johanna Barnhoorn. Zij vestigden zich in Rhoon, daar werden tenminste hun kinderen ingeschreven, waaronder ook weer een Antonie, geboren in 1772. In het doopregister staat geboren in Poortugaal bij het slot Valckestein (moet toch waarschijnlijk Rhoon zijn, Valckestein stond ongeveer op de grens met Rhoon).

De volgende was weer een Antonius, gedoopt in Rhoon in 1799. Hij was de 5e op rij met die naam, zij het dat ze enigszins verschillend gespeld werden, maar hij was niet de doorgaande lijn naar de huidige Geeve’s, dat was zijn broer Arie, geboren in 1804 in Rhoon.

Deze Arie kreeg 8 kinderen, van wie de jongste, Hendricus, geboren in 1888, de stichter zou worden van het bouwbedrijf “Geeve”. Hij trouwde in 1912 met Wilhelmina Catharina van der Poel.

 

Er is niet veel meer bekend over de eerste jaren van het bedrijf, ook niet wanneer het is begonnen, maar in 2012 werd het 75-jarig bestaan gevierd, dus het zal wel in 1937 begonnen zijn (officieel).

 

Henk Geeve, de eerste eigenaar, had voor 1937 verschillende activiteiten; hij was machinist van het watergemaal aan de Havendam nr. 17, waarin hij ook zijn “kantoor” had.  Men zegt dat hij ook een bodedienst had en hij zal ook wel metselaar en/of timmerman zijn geweest (hoe zou je anders een bouwbedrijf kunnen beginnen?).

Op 24 augustus 1938 verongelukte op tragische wijze Henk Geeve bij het uitstappen uit de stoomtram op het station in Rhoon.

 

Er waren problemen met een door hem in de Biesbosch gemaakte duiker, misschien was Geeve met zijn gedachten hierdoor niet bij het uitstappen uit de tram en raakte hij daaronder of hij stapte te vroeg uit voordat de tram stilstond doordat hij te haastig was.

 

Van werk dat Henk Geve maakte, zijn nog bekend een aantal woningen aan de Dr. W. Vosstraat en de Wilhelmina Geevestraat. Deze laatste straat heette aanvankelijk Wilhelminastraat. In 1940 moesten alle straatnamen die aan ons koningshuis refereerden, op last van de Duitse bezetters verdwijnen. Toen werd de Wilhelminastraat Dijkstraat genoemd. Na de oorlog werd deze naam zo gelaten. De weduwe van Henk Geeve heeft toen aan de burgemeester geschreven dat haar man woningen in deze straat gebouwd had en verzocht de oude naam weer terug te brengen. Deze naam is toen geworden: Wilhelmina Geevestraat, naar de koningin, naar bouwbedrijf Geeve en naar mevrouw Geeve, wier eigen naam Wilhelmina Catharina van der Poel was.

Henk Geeve en Catharina van der Poel kregen dertien kinderen, tien dochters en drie zonen. Twee zoons, Wim (21 jaar oud) en Gerrit (19 jaar oud) toen hun vader overleed, gingen het bedrijf voortzetten.

 

De oudste broer van Henk, Adrianus, nog vrijgezel, 66 jaar oud, trouwde met weduwe Wilhelmina, op aandringen van zijn moeder om het gezin van Henk een veilig thuis te geven. Het oudste kind was drie maanden oud overleden, de anderen waren tussen de 24 en 5 jaar oud.

 

Oudste zoon Wim was in 1938 in militaire dienst; hij kreeg bij het overlijden van zijn vader vrijstelling van dienst om het bedrijf te gaan leiden.

Ook verdere ellende werd de familie niet bespaard. Kort na het overlijden van Henk, is zijn moeder overleden. In augustus 1953 is Adrianus (Arie) aangereden bij het oversteken van de Groene Kruisweg als gevolg waarvan hij zes weken later is overleden.

Wim heeft met één van zijn zoons, Ger, een jaar moeten kuren wegens t.b.c.

Gerrit is tijdens een vakantie in Spanje in 1965 door een hartinfarct plotseling overleden.

 

Zijn zoon Henk, die bij zijn vaders overlijden diens taak op 23-jarige leeftijd had overgenomen, overleed in 2003, 60 jaar oud.

Toen na het overlijden van Henk Geeve het bedrijf werd voortgezet door zijn zoons Wim en Gerrit, kreeg het de naam “Aannemingsbedrijf W.G. en G.W. Geeve”.

Meer dan 10 jaar later trad ook broer Arie, die aanvankelijk nog veel te jong was, bij het overlijden van zijn vader 9 jaar oud, toe tot de directie.

Na het overlijden van Gerrit in 1965 werd de naam “Aannemingsbedrijf v/h W.G. en G.W. Geeve”.

 

 

 

      Foto uit 1983

 

Ook werd Henk, de oudste zoon van Gerrit, die al bij het bedrijf werkte, opgenomen in de bedrijfsleiding. Vanaf 1988 zette hij het bedrijf voort als enige directeur, zijn ooms Wim en Arie gingen met pensioen of verlieten de zaak.

Vanaf 1997 moest hij de dagelijkse leiding, om gezondheidsredenen, aan zijn zoon Gerrit overlaten. In 2003 overleed Henk, waarna zijn zoon het bedrijf alleen voortzette.

 

In december 2012 werd het 75-jarig bestaan gevierd van wat nog steeds een familiebedrijf is. Ook het personeel was of is vaak familie en velen die dat niet zijn, voelen dit zo, wat blijkt uit de soms meerdere tientallen jaren durende dienstverbanden.

Een goed voorbeeld daarvan is Thijs Heezen, zoon van Bertus Heezen, nu wonende aan de Tijsjesdijk nr. 59. Thijs ging na het doorlopen van de ambachtschool, bij de firma Geeve werken als leerling timmerman en ging in 1989 in de VUT als uitvoerder bij dezelfde zaak en had daar heel zijn werkzame leven zonder onderbreking gewerkt, met uitzondering van zijn militaire diensttijd!

 

In 2001, toen de jongste Gerrit directeur werd, werden naast Geeve Aannemingsbedrijf nog 2 B.V.’s gesticht, n.l. “Geeve Bouw” en “Geeve Ovenbouw”, alle onder dezelfde directie. Men kon zich dan kennelijk beter op een bepaald doel specialiseren (het was misschien ook belastingtechnisch voordelig). De firma’s slaan steeds verder hun vleugels uit, ver over de Nederlandse grenzen, tot in Portugal, Canada, Saoedie-Arabië, enz.

De ovenbouw is wel het gebied, waarin de Geeve’s het meest gespecialiseerd zijn.

 

Roelof Dubel, bestuurslid.

(Mijn hartelijke dank aan Leo Heezen voor het voorbereidende werk, dat hij voor mij heeft gedaan voor dit artikeltje).

 


 

17.3 Uit “Het Vrije Volk” 1946


17.4 Familienamen in Poortugaal en Rhoon

 

In de Nieuwsbrief van de Oudheidkamer Rhoon en Poortugaal nr. 15 heeft Wim Kranenburg een stukje geschreven over het adressenboek Rhoon en Poortugaal uit 1924. In zijn verslag is ook een stukje gewijd aan veel voorkomende familienamen in Poortugaal en Rhoon. Veel, zo niet alle, van de in dat stukje genoemde namen zijn bij u ongetwijfeld bekend. Maar welke van die namen zijn vandaag de dag nog veel voorkomend? Zelf denk ik in eerste instantie aan de familienamen Van der Schee, Rooimans, Warnaar en Zevenbergen als het over Poortugaal gaat. Als je een Rhoonaar vraagt naar typisch Rhoonse namen dan krijgt men ongetwijfeld als antwoord de namen: Heezen, Geeve, Van Rosmalen, De Lange, De Raadt, Groenenboom en Bresser. Zijn de genoemde namen uit 1924 ook nog in 1947 of 2007 typische Albrandswaardse familienamen?

Om hierin enige duidelijkheid te verschaffen of genoemde namen typisch Poortugaalse of Rhoonse namen zijn ben ik in de volkstelling van 1947 gedoken. Om de namen met recente gegevens, nl. uit 2007, te kunnen vergelijken zijn de gegevens van het Meertensinstituut gebruikt. Het Meertensinstituut heeft de gegevens  voornamelijk uit de databanken van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) gehaald.

In 1947, bij de 12e volkstelling in Nederland, hebben gezinshoofden een volkstellingformulier moeten invullen. Deze formulieren zijn verzameld door de overheid en de gegevens getotaliseerd. De overheid wilde d.m.v. deze

volkstelling inzicht krijgen in de gezinsverbanden, godsdienst, beroep, leeftijd en geslacht.

De familienamen werden als volgt geteld: Men telde elke persoon met de familienaam (b.v. Van der Schee) als één. Mevrouw Jansen-van der Schee telde in de volkstelling dus mee als `Van der Schee` en kwam niet in de lijst Jansen voor. Alle evt. kinderen van mevrouw Jansen-van der Schee werden geteld bij de familienaam Jansen. 

Uit de volkstelling van 1947 blijkt dat er in Poortugaal 52 personen met de naam Van der Schee woonden en in Rhoon ‘slechts’  7. Uit de volkstelling van 2007 blijkt dat er in totaal 34 personen met die naam in Albrandswaard woonden. In 1947 kwam in heel Nederland de naam 469 keer voor (in Zuid-Holland alleen al 276 keer), in 2007 653 keer. Met andere woorden ongeveer 13% van de mensen met genoemde familienaam woonden in Poortugaal.

 Een heel algemene naam voor Albrandswaardse begrippen is de naam Groenenboom. Je bent geneigd te denken dat deze naam in heel Nederland veel voorkomt. Niets is minder waar. In 1947 woonden in Rhoon 69, en in Poortugaal 47 personen met de naam Groenenboom, in heel Nederland 528, dus hier geldt dat ca. 20% van alle Nederlandse Groenenbomen  in Rhoon en Poortugaal woonden. In 2007 woonden er nog  zo’n 10% van de Groenenbomen in Albrandswaard.    

Opvallend zijn o.a. zijn de naam Dits en Heezen. In heel Nederland woonden er in 1947 slechts 89 personen met de naam Dits, in Poortugaal niemand met deze naam, in Rhoon 13, en in Rotterdam 62. Van de 62 Rotterdamse Ditsen  woonden er ca. 15 op de Rijsdijk, vlak bij het Sluisje, het gedeelte dat in 1947 nog onder Rotterdam viel. Populair gezegd woonden alle Ditsen op een kluitje. In 2007 woonden er in Albrandswaard nog 17 Ditsjes, in Rotterdam 23 en heel Nederland 114. Voor de tweede opvallende naam, Heezen, geldt bijna hetzelfde. In 1947  waren er in Rhoon 86 en in Poortugaal 27 op een totaal van 379 in Nederland.  De familie Heezen is nog steeds ruim vertegenwoordigd in Albrandswaard, in het jaar 2007 woonden hier 145 Heezen’s op een totaal van 800 in heel Nederland.

Op de volgende pagina een tabel met veel voorkomende familienamen in Rhoon en Poortugaal. Enkele veel voorkomende familienamen (o.a. de Lange, Visser, Van Leeuwen en Dekker) zijn bewust uit de lijst weggelaten omdat deze namen ook in de rest van Nederland zeer veel voorkomen.

In de volkstelling van 1947 werden Rhoon en Poortugaal apart vermeld, dit in tegenstelling tot 2007,  waar ze zijn samengevoegd  tot  Albrandswaard.

 

Jan Klingens, medewerker.

 


17.5 De Dorpsdokter

 

Van onze grootouders en ouders hoorden we vaak spreken over dokter Tuinstra, dokter Roodzant, dokter Beekhuis en uit onze eigen herinnering is er dokter Greup.

Het waren huisartsen die in een lange reeks van jaren dag en nacht klaar stonden voor de inwoners van Poortugaal en Hoogvliet.

Maar wat weten wij behalve hun naam verder nog van hen? We zullen trachten hier iets over hen te vertellen.

 

Dokter Duco Tuinstra werd op 15 juli 1890 benoemd als gemeentearts van Poortugaal en Hoogvliet, als opvolger van dokter P. de Snoo, die op 1 mei 1890 met eervol ontslag was gegaan.

Duco Tuinstra werd 1 juni 1861 te Leeuwarden geboren als zoon van banketbakker Sikke Tuinstra en Beatrix Hoekstein. Duco Tuinstra trouwt te Poortugaal op 20 februari 1895 met Maria (Mietje) Pons, dochter van Jacob Pons, landbouwer op de Zalmplaat, en Annetje Hoorweg. Dokter Tuinstra woonde aan de Dorpsstraat van Poortugaal naast het raadhuis.

Hij was kennelijk een actief man, medeoprichter van de Poortugaalse IJsclub en de voetbalvereniging IJsselmonde-West, V.Y.W, de voorganger van P.S.V.  Van hem is ook hun clublied op de muziek van het Friese volkslied. Dokter Tuinstra overlijdt op 27 januari 1920 in Poortugaal.

 

Rond 1908 komt de zwager van dokter Tuinstra, dokter Krijn Roodzant als rustend huisarts in Poortugaal wonen, aan de toenmalige Molendijk, in de villa waar na hem Jacobus (Koos) Schaberg ging wonen. Krijn Roodzant is geboren in Dirksland op 25 januari 1851, zoon van Johannes Roodzant, bouwman, en Lena van Es. Krijn Roodzant is huisarts in Hellevoetsluis. Hij trouwt  op 30 september 1885 te Poortugaal met Huiberta Pons, de zuster van Maria.

Dokter Roodzant was in Hellevoetsluis lid van de gemeenteraad. Op 1 december 1905 stopt hij als huisarts in Hellevoetsluis. Hij vertrekt naar Poortugaal en wordt in 1910 voor de liberale partij lid van de gemeenteraad van Poortugaal. Dokter Roodzant overlijdt op 17 december 1926.

 

                                   

Over de opvolger van dokter Tuinstra is minder bekend. Dokter M.W. Beekhuis had zijn praktijk eerst aan de Dorpsstraat A 91 te Poortugaal. Het pand dat in 1915 door Cors Warnaar werd gebouwd, werd na het vertrek van dokter Beekhuis naar Dorpstraat A 156 (het huis van dokter Greup), eerst nog bewoond door de familie Jan Mourik, tot het in 1929 werd gekocht door de schilder Evert Walgaard, nu nog bewoond door zoon Jan Walgaard. Dokter Beekhuis zet zijn praktijk dus voort op Dorpsstraat A156, later no. 42 (dit was het voormalig koffiehuis en uitspanning “De Ruiter”, vanaf 1905 uitgebaat door H. van Stalen.

Als dokter Beekhuis in 1924 vertrekt komt dokter Greup naar Poortugaal en betrekt het huis van dokter Beekhuis aan de Dorpsstraat 42.

 

Velen onder u zullen zich nog “de oude” dokter Greup herinneren. Wie was dokter C. H. Greup en waar kwam hij vandaan?

Cornelis Hendrik Greup werd geboren op 7 juni 1894 in Schoonhoven als zoon van Dirk Hendrik Greup en Trijntje Koopen. Zijn vader was zilversmid. De familie Greup kwam oorspronkelijk uit Beuningen bij Nijmegen. Pieter Greup 1757-1809, vestigde zich in 1794, dus tijdens de Franse overheersing, in Schoonhoven en werd daar postmeester. Later was hij hoofdcommies van ’t generaal postcomptoir. Zijn zoon Dirk Hendrik (1828-1864) werd zilversmid. De familie Greup was een van de belangrijkste goud- en zilversmidfamilies in het Schoonhoven van de 19e en begin 20e eeuw. Naast hun werk als zilversmid, hebben de leden van de familie veel bestuurlijke functies bekleed.

 

Maar liefst 6 generaties (1828-1915) waren in Schoonhoven zilversmid.

Cornelis Hendrik Greup ging na zijn middelbare school in Groningen studeren. In juni 1919 slaagde hij voor zijn kandidaatsexamen en in juni 1922 voor het doctoraal examen in de geneeskunde. In april 1923 slaagde hij voor het artsexamen 1e gedeelte en in maart 1924 werd hij bevorderd tot arts. Op 6 augustus 1924 trouwt hij te Voorburg met Jantje Antje Elema, geboren 9 januari 1897 in Winschoten, dochter van Eggo Elema, boekdrukker, en Grietje van Bergen.

 

Dokter Greup was reserve 1e luitenant van het 12e regiment infanterie. Bij Koninklijk Besluit werd hij benoemd tot reserveofficier van gezondheid der 2e klasse Geneeskundige Dienst van de Landmacht. In mei 1924 kreeg hij op aanvraag eervol ontslag uit de militaire dienst.

 

Zo kwam dokter Greup dus in 1924 naar Poortugaal en daar kwam hij een stadsgenote tegen, n.l. mijn grootmoeder Pietje Endeveld, gehuwd met Cees Verheij. Zij is geboren in 1894 in Jaarsveld, verhuisd naar Schoonhoven en daar schoolgegaan samen met dokter Greup, zoals zij hem altijd noemde. Maar één keer heb ik haar de dokter horen aanspreken bij zijn voornaam “Cor”.

Mijn grootmoeder was als 18-jarig meisje in 1912 uit Schoonhoven naar Poortugaal gekomen om haar grootmoeder Dirkje Hazejager-Warnaar (de moeder van haar stiefmoeder), zoals zij mij later vertelde, aan haar eindje te helpen.

 

Ook werd dokter Greup arts voor een groot gedeelte van Hoogvliet. In Hoogvliet was n.l. een dependance; in het garen- en bandwinkeltje van Jaapje Hordijk aan de Dorpsstraat 63 aldaar kon men een verzoek om visite opgeven, dat werd dan door haar doorgebeld. Ook werden bij haar de medicijnen opgehaald, die eveneens vanuit Poortugaal per fiets werden rondgebracht (en wel door Roos Gielen, later gehuwd met Daan Groenenboom).

 

Het door Rotterdam geannexeerde gedeelte zoals de Hil en de Jachtdijk behoorde ook tot de praktijk.

Mijn eerste herinneringen aan dokter Greup stammen uit de oorlog. Door vitaminegebrek werd het minste of geringste wondje een zweer en volgde er een bezoek aan de dokter.

Ik vond de spreekkamer indrukwekkend met de glazen potten en apparatuur, de dokter in zijn witte jas achter het bureau was in mijn ogen een strenge verschijning. Hoewel het al weer 70 jaar geleden is, kan ik me herinneren dat er in de spreekkamer een bordje was met, als ik me niet te zeer vergis, het volgende opschrift:

 

“Zeg al wat ge zeggen moet.

Zeg het kort en bondig.

Wie nutteloos mijn tijd verdoet,

die vloekt, en dat is zondig!”

 

Als ik hier de plank helemaal missla, hoor ik dat graag!

Ook was dokter Greup een liefhebber van klokken; toen ik op een keer in de gang stond te wachten, zag ik daar veel klokken hangen.

Een andere herinnering aan de oude dokter is de volgende.

Als het gesneeuwd had kon je geweldig sleeën. Er werd in die tijd, behalve wat as, niet gestrooid, en als je dan kans zag je slee aan een auto te bevestigen door het touw om de bumper te slaan, maakte je een heerlijke rit. Ik had op die bewuste dag toen de dokter in zijn auto stapte, mijn slee op die wijze vastgemaakt en zoefde heerlijk de Kerkstraat uit. Bij de Groene Kruisweg aangekomen stopte de auto en ik liep de dokter die uitgestapt was, recht in de armen. Het gevolg was dat ik een flinke draai om mijn oren kreeg, waarbij hij mij toevoegde: “moet je verongelukken!”

De wachtkamer aan de achterzijde van het woonhuis werd bereikt via het slop tussen het huis van Braat en de dokterswoning, halverwege was nog een deur waar je een eventuele boodschap af kon geven.

Een dokterspraktijk in die dagen was een continubedrijf, geen weekenddiensten of vrije dagen. ‘s Zomers had de dokter dan een paar weken vakantie. Zo vermeldde het Rotterdams Nieuwsblad op 9 augustus 1933 dat dokter C.H. Greup 3 weken verlof had en dat waarnemend was mej. Dr. Van Arkel uit Bilthoven.

 

 

     Familie Greup in 1937.

 

 Ook vermeldenswaardig is dat op een gegeven moment de wachtkamer uitgebreid werd met een gang met wanden van zachtboard. Dit had tot gevolg dat als de dokter een enigszins hardhorende patiënt op bezoek had, men het besprokene woordelijk kon verstaan in de wachtkamer.

 

In 1949 was dokter Greup 25 jaar als huisarts aan Poortugaal verbonden. In het dagblad Het Vrije Volk van 4 juni 1949 verscheen het navolgende artikel:

Dr. Greup hartelijk gehuldigd. Woensdagmiddag heeft in tegenwoordigheid van genodigden in de grote zaal van Het Wapen van Poortugaal de officiële huldiging plaatsgehad van dokter C.H. Greup in verband met het feit dat hij 25 jaar geleden in Poortugaal zijn artsenpraktijk is begonnen en de betrekking van gemeentegeneesheer aanvaardde.

O.m. waren aanwezig oud-burgemeester F. v. d. Poest Clement als voorzitter van het huldigingscomité met zijn medeleden en hun dames; burgemeester Breebaart met de voltallige gemeenteraad en de gemeentesecretaris; prof. Van der Vlerk uit Leiden; Dr. Radmacher, als vertegenwoordiger van de Z.H. Vereniging Het Groene Kruis; zuster Hatink, de leidster der moedercursussen; dr. Kayk, de districtsschoolarts; G.A. Soeteman, chef van de hulpsecretarie te Pernis, vertegenwoordigende de voormalige gemeente Hoogvliet; collega’s van de jubilaris; vertegenwoordigers van de kerkelijke gemeenten en gemeentelijke instanties; onderwijzend personeel, alsmede een deputatie van de E.H.B.O. en “de Ouden van Dagen”.

De heer van der Poest Clement sprak een kort welkomstwoord. Spreker schetste het leven van de jubilaris als een leven van dienende arbeid op medisch gebied. Geen wonder dat de patiënten zowel uit de gemeente Hoogvliet en in het door Rotterdam geannexeerde gebied, dit jubileum niet onopgemerkt voorbij wilden laten gaan. Spreker bracht hulde en dank aan de jubilaris, als dokter, als organisator en als mens.

Hierna kregen de genodigden gelegenheid de jubilaris en familie te feliciteren.”

 

Dokter Greup was naast huisarts van Poortugaal, ook huisarts van Hoogvliet. Eerst in 1937 kwam dokter Mol, zoon van slager Mol te Spijkenisse, als huisarts naar Hoogvliet.

Na zijn afstuderen als arts, was ook zijn zoon dokter Piet Greup, geboren 26 juni 1925, in de steeds groter wordende huisartsenpraktijk werkzaam. Het zal de oude dokter ongetwijfeld veel voldoening gegeven hebben dat zijn zoon in zijn voetsporen trad.

Op 14 maart 1955 overleed te Poortugaal zijn echtgenote Jantje Elema. Vaak waren de dames van de notabelen nogal afstandelijk, dit kon men van mevrouw Greup echter niet zeggen, zij was erg vriendelijk en bij de Poortugaalse bevolking zeer geliefd.

Op 23 maart 1957 hertrouwt dokter Greup te Poortugaal met Wilhelmina Antonia Waszink, geboren te Hilversum op 7 februari 1900.

Na een arbeidzaam leven overleed dokter C.H. Greup op 14 april 1967. Dat nu ruim 45 jaar na zijn overlijden zijn naam nog regelmatig genoemd wordt, geeft aan dat hij bij vele Poortugaalse en Hoogvlietse mensen een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten.

 

 Arie Beukelman, voorzitter.

 


17.6 De Oudheidkamer op facebook.

De Oudheidkamer Rhoon en Poortugaal is nu ook te vinden op Facebook. De pagina is nog in ontwikkeling en we willen graag weten wat u ervan vindt.

 

Op de website van de Oudheidkamer kunt U de blauwe F aanklikken.

Wij zullen geregeld berichten plaatsen betreffende activiteiten van de

Oudheidkamer en activiteiten in Rhoon en Poortugaal.

U kunt op de Facebookpagina ook een bericht posten.

Vindt u de Facebookpagina leuk?

 

 

               

Luk Vinke


17.7 Mensen in en rond “Het Wapen van Rhoon”

 

In onze vorige Nieuwsbrief (no. 16 van augustus 2013), heeft Arie Beukelman de geschiedenis beschreven van het “Huis te Pendrecht”, tegenwoordig bekend als “Het Wapen van Rhoon”.

Aanvullend daarop wil ik u nu een aantal anekdotes vertellen over mensen die in de loop der tijd in dit gebouw woonden of er iets mee te maken hadden.

Pieter VII, Heer van Rhoon, liet het in 1625 bouwen. Anthonie van Hoboken, misschien één van Rotterdams belangrijkste, succesvolste en rijkste reders in de eerste helft van de 19e eeuw, kocht in 1831 het “Huis te Pendrecht” via een bijzonder ingewikkelde constructie, te lezen in het artikel van Arie Beukelman, dat ook is afgedrukt in De Schakel van 3 oktober 2013.

Een jaar eerder had Van Hoboken de heerlijkheid Rhoon en Pendrecht, inclusief het kasteel, gekocht van de familie Bentinck. Ook later ging hij nog door met boerderijen en grond te kopen. Hij werd een echte landheer. Hij gebruikte het kasteel als weekendwoning in de zomer. Het “Huis te Pendrecht” werd verhuurd als logement en herberg. Ook legde hij in 1842 de eerste steen voor het nieuwe gemeenschapshuis, “De Eendracht” genoemd, dat werd gebouwd naast het “Huis te Pendrecht” op daarbij behorende grond, die dus waarschijnlijk door Van Hoboken beschikbaar is gesteld. In het nieuwe gebouw, dat sinds 1937 “Irene” heette, werden o.a. het gemeentehuis en de school gevestigd.

In 1906 vond er een felle brand plaats tegenover het “Huis te Pendrecht”, dat inmiddels “Het Wapen van Rhoon” werd genoemd. Bij die brand ging een oude boerderij verloren, waarin drie gezinnen woonden, waarvan één een winkeltje had en één eigenaar was van een rietdekkersbedrijf. De eigenaar van het winkeltje was niet dezelfde als de rietdekker, die eigenaar was van het geheel.

Ook de naastgelegen kerktoren brandde voor een deel af. De hitte was zo groot dat de ruiten in “Het Wapen van Rhoon” geblakerd werden en van kleur veranderden. Die ruiten kregen een kleur als olievlekken op het water. Nog altijd is een aantal van deze ruiten aanwezig en is die gloed daarin te zien.

Het winkeltje dat bij de brand verloren ging, was van Pieter van der Ent en zijn vrouw. Van der Ent verleende nog wel eens hulpdiensten in Het Wapen. Bv. als er klanten waren die ‘s avonds bij sluitingstijd niet weg wilden, zette Van der Ent ze even buiten, hij was buitengewoon sterk.

Van Hoboken was dus grootgrondbezitter. Hij verpachtte land, boerderijen, dijkbermen, grienden, enz. Eenmaal per jaar moesten de pachters pacht betalen. Dat gebeurde in Het Wapen, aan de rentmeester van de heerlijkheid.

Naast Het Wapen woonde rond 1900 Hendrik Riethoff. Hij had allerlei functies, zoals koster van de kerk, begrafenisondernemer, aanzegger en ook bode voor de heerlijkheid. Wanneer de pacht betaald moest worden, stond hij in de deuropening, versierd met een brede sjerp als teken van zijn waardigheid, om de pachters binnen te laten.

 

 

Kasteleinsfamilie van “Het Wapen van Rhoon”, ca. 1910. V.l.n.r.: Boudewijn van der Schee, zijn echtgenote Anna Adriana van der Schee-Groenenboom, onbekende, Neeltje van der Schee-van der Laan, moeder van Bouwe.

 

Vanaf 1924 tot begin jaren 50 was Piet van der Hilt, bijgenaamd dikke Piet, kastelein in Het Wapen. Als er, vooral overdag, geen klanten waren, stond Van der Hilt in de deur met zijn zeer omvangrijke buik vooruit, te kijken wat op straat voorbijkwam.  Die buik hoorde bij een goede kastelein. In Poortugaal hadden we dikke Pleun (van Luijk) in het tramcafé. Ook hij stond vaak in de deur.

Van der Hilt was eerst slager in Charlois. Het is heel goed mogelijk dat hij toen al aan de ontwikkeling van zijn buik is begonnen. Slagers eten, zegt men, graag van hun eigen producten, in tegenstelling tot bv. bakkers, die geen koek meer kunnen zien als zij de hele dag en soms ook ‘s nachts in de baklucht hebben gewerkt.

 

In de oorlog moesten Rhoonse mannen dwangarbeid verrichten voor de Duitse bezetters, tankgrachten graven enz. Ook Van der Hilt was gevorderd, maar door zijn lichaamsomvang kon hij niet veel uitvoeren, dus zette men hem op een paard om door hun beider gewicht grond vast te laten trappen.

Behalve café- en logementgebruik, kon men in Het Wapen ook zalen huren voor allerlei bijeenkomsten. In de late jaren 30 hield bv. hier de politieke partij N.S.B., die een zusterpartij was van de Nazi’s in Duitsland, propagandavergaderingen. De familie van een vriend van mijn oudere broers sympathiseerde met de Duitsers en hij kwam vragen of zij meegingen naar zo’n vergadering. Zij waren rond de 18 jaar oud. Daar komt niets van in, zei mijn vader en mijn broers gehoorzaamden onvoorwaardelijk.

Er was toen nog groot ontzag voor de vader. Mijn ouders waren antirevolutionair van politieke richting, dus 100% tegen de N.S.B.

 

In mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen, het begin van de Tweede Wereldoorlog. In de eerste oorlogsdagen sliepen de mensen uit de omgeving in de kelders van “Het Wapen van Rhoon” om te schuilen voor oorlogsgevaar. Dat ging echter al snel over. Stelt u zich even voor: ze lagen op elkaar gepakt en dan moest er iemand een plas doen in een po in het donker, vlak naast een andere slaper.

De Duitse bezetters bouwden in het zgn. voorbos van het kasteel een barakkenkamp, waarin de manschappen werden ondergebracht. Officieren en kader werden bij burgers ingekwartierd. Het Wapen zal daar ook zijn deel van gekregen hebben; er was immers een aantal hotelkamers.

De Duitse militairen gingen ongetwijfeld ook voor hun vermaak naar Het Wapen om schnaps te drinken. Het leven van een bezettingsleger is verschrikkelijk saai, niets te vechten en verder ook niets te doen.

‘s Morgens als ik er op weg naar school langs kwam, hielden ze appèl, midden op straat voor Het Wapen.

Er kon dan geen verkeer langs, nou ja er was toen nog niet veel meer verkeer op de weg dan een bakker en een melkboer met paard en wagen.  

 

Na 5 mei 1945 keerde het normale leven weer terug. Van der Hilt stond weer in de deur, z’n stamgasten kwamen weer. De oude Jan Selle, de schilder, kwam weer zijn vaste twaalfuurtje halen, Joh. Kruijthoff, de melkboer, kwam weer dagelijks iets pittigs drinken,  dat hij veel liever lustte dan de drank die hij zelf verkocht. Dirk van Niele, een polderjongen, nou ja een jonge zestiger, kwam regelmatig ‘s avonds met de fiets met een hondje. Als Dirk binnen was, paste het hondje op de fiets, liggend op de bagagedrager. Voor Van Niele liep dat cafébezoek op een keer slecht af toen hij ’s avonds naar huis fietste met een flinke slok op. In het Kerklaantje verloor hij de macht over zijn fietsstuur, reed de sloot in en verdronk in 20 cm. water, waar zelfs zijn hondje hem niet kon redden.

Ook werden er weer bijeenkomsten gehouden. In 1958 werd hier b.v. de fotoclub “Rhoon” opgericht, waar ik ook lid van werd. Later, toen het te druk werd in Het Wapen en we soms moesten uitwijken naar een slaapkamer boven, zijn we verkast naar ‘t Hervormd Centrum.

 

Er kwamen in de jaren zestig ook gastarbeiders logeren/wonen. Feesten werden er natuurlijk ook gehouden. In 2002 vierde ons medebestuurslid van de Oudheidkamer, Kor van Pelt, hier op grootse wijze zijn 65e verjaardag.

Sinds begin jaren 50 Piet van der Hilt was overleden, waren hier achtereenvolgens Henk Evers sr. en jr. kastelein.

In 2003 kwam “Het Wapen van Rhoon” in het bezit van Ad Jansen. Hij wilde er iets groots van maken en liet boven alle ramen in de voorgevel markiezen aanbrengen. Dat was echter “buiten de waard gerekend”, zoals het spreekwoord zegt. In dit geval buiten de Monumentencommissie. De markiezen moesten er weer af als niet passend bij “Het Wapen van Rhoon”, dat een rijksmonument is. Een flinke schadepost voor Ad Jansen.

Nu is in het gebouw een brasserie gevestigd, zowel gebouw als bedrijf zijn in eigendom van Ad Jansen.

Zou “brasserie” betekenen dat je hier je geld kunt verbrassen?

 

Roelof Dubel, bestuurslid.

 


17.8 Programma

 

 

 

Nieuwsbrief nr 17 – januari 2014