Nieuwsbrief nr. 23 – januari 2017

23.1 Van het bestuur.

Zittend aan mijn bureau om dit voorwoord te schrijven, terwijl de portretten van zeven geslachten Beukelman mij aanstaren, word ik mij bewust van de betrekkelijkheid der dingen.  Of zoals Van Essen in 1838 dichtte:

“Maar eenmaal deelt gij in ’t algemene lot,
Niets is bestendig, niets is duurzaam hier op aarde,
De tijd sleept alles mee, en sterkte en magt ten spot,
Vernielt hij alles wat hij zelf eens baarde.”

Het jaar 2016 kan weer in de geschiedenisboeken worden bijgeschreven. Het was voor de Oudheidkamer een memorabel jaar, onze laatste ten-toonstelling “Landverhuizers” blijkt een schot in  de roos te zijn. We mogen heel veel bezoekers verwelkomen, die zonder uitzondering onder de indruk zijn van de mooie foto’s en de bijbehorende informatie.
Annie onze secretaris, die het leeuwendeel van de inrichting voor haar rekening heeft genomen, heeft van de aangedragen informatie  iets heel moois gemaakt. Vooral de reden waarom de eerste inwoners al in 1847  emigreerden, niet alleen maar om een betere toekomst, maar ook omdat zij in Nederland niet vrij waren in het beleven van hun geloof,  is bij heel veel mensen totaal onbekend. Wel een verschil met de huidige tijd.
Ook de dia-middagen werden weer druk bezocht; het blijkt steeds weer hoe de mensen genieten van de mooie oude foto’s uit ons verleden. Wat een prachtige dorpen Poortugaal en Rhoon waren, en wat te denken van de schitterende polders, hoewel er een aantal mensen, die helaas ook nog aan de touwtjes trekken, dit geen natuur vinden.
Met de betrekkelijkheid van ons bestaan werden we ook geconfronteerd door het overlijden van Ab van der Veen, de echtgenoot van onze secretaris Annie. Ab was in ons dorp zeer gezien, altijd bereid om  te helpen als er bv. problemen waren met de computer. Hij zal zeker door Annie, maar ook door ons zeer worden gemist, maar niet vergeten.
Ook onze oud-voorzitter Bram van Hilten, heeft afscheid moeten nemen van zijn vrouw Lenie, die na een kort ziekbed is overleden. Tot voor een paar jaar bracht zij Bram altijd met de auto naar de Oudheidkamer.
Wij wensen hen vanaf deze plaats veel sterke om dit grote verlies te dragen.

Arie Beukelman, voorzitter.


23.2 Rondje door Rhoon.

In deze Nieuwsbrief neem ik u weer mee op één van mijn wandelingen. Er zit een persoonlijk tintje aan dit verhaal, uiteraard met een historische achtergrond. Oudheidkundig waardig zal ik maar zeggen. Ik begin net als de vorige keer op de Tijsjesdijk in Rhoon.

Het regent en de paraplu is opgestoken, erg gelukkig word ik nog niet van mijn plan om te gaan wandelen. Ik loop richting Rijsdijk, vlak voor de Gaarde passeer ik het huis van de heer Halk. De regendruppels rollen van het rieten dak van het tot woonhuis omgebouwde boerderijtje. Een stukje verder bij de boerderij van Wim Schaberg is de aanblik ook triestig vanwege het druilerige weer. De laatste boer op deze boerderij was Willem Schaberg, de oom van de huidige bewoner. De echte Rhoonaar kende hem beter als Wim Prik.

Aan het eind van de Tijsjesdijk loop ik rechts de Rijsdijk in om een paar honderd meter verder links de Rivierweg in te slaan. Aan het eind van de Rivierweg moet ik wachten voor het rode verkeerslicht bij de Groene Kruisweg. De weg die in de jaren ’30 van de vorige eeuw aangelegd is op verzoek van het Groene Kruis. Het Groene Kruis wilde een snelle verbinding van Voorne en Putten naar Rotterdam voor het zieken- en gewondenvervoer. Rechts van me zie ik de Shell benzinepomp.

Sinds kort weet ik dat aan de zuidkant van de Groene Kruisweg achter de benzinepomp een boerderij stond, Hoeve Kouwenhove. De laatste boer op deze boerderij was Pieter Quartel. Rond 1961 is de boerderij verkocht. Ik schrijf dit met dank aan Arie Beukelman en zijn Rhoonse boerderijenboek.

Molendijk 22

Ik loop onder het metroviaduct door en ga links de Stationsstraat in. Een stukje blauwe lucht  prikt door de wolken heen. Op de hoek van de Stationsstraat en de Molendijk schuin links van me, ongeveer op de plaats waar de baan voor de metro ligt, stond een landhuis genaamd ‘Maria Hoeve’. In de 40-er jaren van de vorige eeuw woonde hier vliegtuigbouwer Koolhoven. Zijn vliegtuigfabriek stond op het vliegveld Waalhaven. Het is droog geworden en terwijl ik mijn paraplu inklap loop ik de Molendijk in. Na 100m kijk ik naar de vorig jaar veHBZSEL28rbouwde woning op nr 22. Voor mij is dit een bijzonder huis omdat mijn opa Nootenboom dit huis in 1926 heeft laten bouwen. Mijn oma, Neeltje Nootenboom-Struijk, heeft er tot kort na het overlijden van haar man, in 1942, gewoond. Op 9 mei 1940 hadden mijn ouders in dit huis een feestje omdat ze in ondertrouw waren gegaan.

Het was kennelijk laat geworden want mijn  oma had gezegd: “zet de vuile vaat maar in de keuken, dat was ik morgen wel af”. Die nacht brak de Tweede Wereldoorlog uit. Vliegveld Waalhaven werd gebombardeerd en er vielen ook bommen rond de Molendijk. Zo dicht bij Molendijk 22 dat de vaat niet meer gedaan hoefde te worden, die lag door de inslagen van de bommen in scherven op de grond, evenals enkele ruiten van het huis. Koolhoven was na het vallen van de eerste bommen de Molendijk  opgerend om de omwonenden te adviseren een veilig heenkomen te zoeken. Hij dacht dat de Duitsers zijn huis wilden bombarderen. Daarna vluchtte hijzelf de weilanden in en dook diezelfde avond onder. Ik weet dat er over dit optreden van Koolhoven meerdere lezingen zijn, ik schets slechts wat ik uit de mond van mijn moeder en oma gehoord heb. Door het uitbreken van de oorlog werd de bruiloft van mijn ouders enige tijd uitgesteld. Daarover straks meer.

Ik loop verder de Molendijk af en zie rechts enkele stroken tuinbouwgrond, land waar jaren geleden nog vele tuinders naast elkaar hun eigen lap grond hadden.
De kassen van Theo de Waard staan er nog. De tuinderijen van Wim de Lange, Arend Molenaar en Cor Hordijk zijn verdwenen. Een stille getuige daarvan is een stuk braakliggende grond dat doorloopt tot aan de Stationsstraat en daar eindigt in een berg aarde. Het ligt te wachten op wat komen gaat.
Wie weet wat dat moet worden mag het zeggen.

Ik sla linksaf de Laning in, lees Kerklaan, en loop langs het huis van de in 2008 overleden Ludo Pieters, de ‘rode’ havenbaron. Rhoon heeft veel aan de heer Pieters te danken, denk hierbij o.a. aan het behoud van het kasteel en twee door hem geschonken gebrandschilderde ramen in de N.H.-kerk. Net voorbij het huis van Pieters kom ik bij het beroemde bruggetje in de Laning. Het bruggetje is al meerdere keren gerestaureerd maar blijft er hetzelfde uitzien, in ieder geval de breedte of beter gezegd de smalte. Ik loop het bruggetje over. Ik zal nu ongeveer op de plek zijn waar op 10 mei 1940, rond de klok van tien uur ‘s morgens, drie Duitse parachutisten zich in een gestolen vrachtauto klemreden op het smalle bruggetje. Twee van hen zijn doodgeschoten door Hollandse soldaten die rond het kasteel in een hinderlaag lagen. Een derde Duitser raakte zwaar gewond.

Aan het eind van de Laning  ga  ik rechtsaf. Links van me staat het pand van dierenarts Den Otter. Voordat het een dierenkliniek was woonden en praktiseerden er van de jaren ’20 tot midden ’70 van de vorige eeuw 3 huisartsen. Respectievelijk dr. Van IJsendoorn, dr. Fontein en  dr. Smit. Als ik aan dr. Fontein denk, mijn eerste huisarts, denk ik altijd aan de volle wachtkamer. Soms uren in de wachtkamer of in zijn tuin wachten voordat je aan de beurt was en dan ‘s avonds je poeiertje, pilletje of drankje ophalen. Je moest dat medicijn uit een kastje pakken, dat kastje zat aan de zijkant van de praktijk en iedereen kon en mocht er bij. Heden ten dage zou het kastje met gepantserd glas en een alarminstallatie uitgerust worden. Van oorsprong was de dokterswoning een boerderij genaamd ‘Huize Klein Profijt’. 

Een stukje verder staat links nog een wit pand waar de uit Hongarije afkomstige Zika Varga in de jaren ’50 en ’60 een manufacturenzaak had. Op 30-8-1961, op de verjaardag van mijn oma, kwam de goede man om het leven bij een auto-ongeluk op de Vondelingenweg. Ik kan het me nog goed herinneren, het was ‘het’ gesprek op mijn oma’s verjaardag. Inderdaad, die oma van de Molendijk.

Op Dorpsdijk 57, rechts van me, staat een huis met rood-witte luiken dat op een oude boerderij lijkt, althans dat vind ik. Het is echter nooit een boerderij geweest. De eerste steen van het huis is gelegd op 19 februari 1872 door Heiltje Kleinjan, en in de jaren ’30 werd het bewoond door de rentenierende boer Aart Schaberg. Later woonde oogarts Mak er.

Ik loop door naar de buren op Dorpsdijk 55. Over dit pand is bijna een boek te schrijven. Ik beperk me tot twee wetenswaardigheden.

Ten eerste, het huis heet villa ‘Johanna’ en is gebouwd in 1898 voor burgemeester  G.E.C. Ribbius. Ten tweede, de Duitsers hebben het  huis in het begin van de Tweede Wereldoorlog in beslag genomen om daarna hun Ortskommandantur in het pand te vestigen.

Ze bouwden ook een uitkijktoren op het dak van de villa (Ortskommandant van Rhoon was Oberleutnant Schulze).

Ik zou nog terugkomen op het huwelijk van mijn ouders, het huwelijk dat vanwege de oorlog uitgesteld werd. Dat doe ik terwijl ik voor het huis op Dorpsdijk 37 stil sta. De reden dat de trouwerij uitgesteld werd was omdat het huis waar mijn ouders in zouden gaan wonen door de Duitsers gevorderd was. Het huis waar mijn vader en moeder zouden gaan wonen is hier, op nr 37. Ik kan me zo voorstellen dat de Duitsers dachten ‘dit  huis staat toch leeg dus daar kunnen wij wel in’. En dat deden ze dus ook. Ze bouwden er een telefooncentrale in en bleven jaren zitten. Mijn ouders hebben niet gewacht met trouwen tot de Duitsers vertrokken waren. Zoveel geduld hadden ze niet. Mijn ouders zijn op 29 mei 1940 getrouwd en trokken voor ruim een jaar in bij de ouders van mijn moeder aan de Molendijk.

Ik loop door en loop langs Molen ‘t Hert, een straat die leidt naar een woonwijk. Waar nu huizen staan liepen ooit koeien en stond de molen ‘t Hert. Een stukje verder stond de zakkenfabriek, beter gezegd de jutefabriek van InterJute. De molen is gesloopt in de jaren ’70. InterJute, verdween in de jaren ’80 uit Rhoon en vestigde zich in de Zeeuwse plaats Kapellebrug.

Ik sla de smalle Oud Rhoonsedijk in. Als je op dit dijkje te ver naar links gaat val je in een Rhoonse sloot. Stap je rechts het dijkje af dan sta je op Poortugaals grondgebied. De Oud Rhoonsedijk is de hofleverancier voor bestuursleden van de Oudheidkamer. Zowel Kor van Pelt als Roelof Dubel zijn aan dit dijkje geboren, beiden aan de Poortugaalse kant. Beide heren zijn mede oprichters van onze Oudheidkamer en nog steeds actief bestuurslid. De Oud Rhoonsedijk is één van de 3 oudste dijken van Rhoon. De door Biggo van Duiveland in het jaar 1199 gebouwde dijken, Rhoonsedijk, Werkersdijk en Dorpsdijk, omsloten de gevormde polder ‘Oud Rhoon’. Later kwamen er nog een paar dijken bij, waaronder de Molendijk, een tweede polder genaamd ‘Nieuw Rhoon’ was geboren.  

De dijken in Rhoon en Poortugaal hebben over het algemeen pas begin vorige eeuw de benaming gekregen waaronder wij ze nu kennen. De namen van de polders Oud- en Nieuw Rhoon zijn al eeuwen oud. (Als u hierover meer wilt weten lees dan het boekje ‘De eerste eeuwen van Rhoon’ van T.A. van der Vlies. Te koop in de Oudheidkamer Rhoon-Poortugaal)

Ik ben weer op de Stationsstraat en loop in de richting van Poortugaal. Ik ga linksaf onder het metroviaduct door en ik steek weer de Groene Kruisweg over. Via het fietspad loop ik naar links om vervolgens langs de bushalte op de Groene Kruisweg het trapje af te lopen naar de Parallelstraat. Aan het eind van deze straat ga ik rechts de Dorpsdijk op. Na nog geen 100m denk ik: ” Wat zonde dat het huisje van schoenmaker Wessing afgebroken is”. “Wat jammer dat de boerderij van Kruijthoff afgebroken is” en een stukje verder “Wat jammer dat die arbeidershuisjes naast de boerderij afgebroken zijn”.

Al mijmerend loop ik verder richting huis. Er schiet me de volgende  spreuk te binnen: “Geluk is het verlangen naar”. Met andere woorden, uit al die herinneringen kun je ook geluk tanken.

Jan Klingens, bestuurslid.


23.3 Huize Ankara

De villa van de familie Van der Poest Clement was een beeldbepalend pand aan de Dorpsstraat in Poortugaal. Deze villa heeft er uiteraard niet altijd gestaan, we zullen een stukje van de geschiedenis van deze woonplek trachten te ontrafelen.

Op deze plek was in het eerste kwart van 1800 de bakkerij gevestigd van Leendert Preesman. Johannes Leonardus Preesman zoals zijn doopnaam luidde, is geboren op 17 september 1795 te Wijngaarden in de Alblasserwaard, zoon van Mattheus Preesman en Susanna Elisabeth Colthof.  Hij trouwt 15 april 1820 in Pernis met Ingetje de Winter, gedoopt op 23 augustus 1820 in Pernis, dochter van Jacob Jansz. de Winter en Jannetje van der Star.
Zij beginnen aan de Dorpsstraat te Poortugaal een bakkerij en waren daarbij niet de enige bakkers in Poortugaal. Teunis van Bokkem had de bakkerij waar in onze tijd bakker Rook was gevestigd, Jan de Boer in de bakkerij waar Snijders de laatste bakker was.

Leendert Preesman verkoopt de bakkerij in 1849 aan Simon Klapwijk voor 2100 gulden en vertrekt in juli naar Rhoon; daar overlijdt hij spoedig op 8 september 1849. Ingetje de Winter overlijdt op 20 september 1875 in Hoogvliet.

Simon Klapwijk, particulier, is de nieuwe eigenaar. Hij is 30 juli 1810 geboren in Maasland, zoon van Bastiaan Klapwijk en Neeltje van der Kooy. Hij trouwt op 20 juni 1849 in Rotterdam met Bastiaantje van Gent, geboren 20 augustus 1825 in Poortugaal als dochter van Poulus van Gent en Geertrui van der Steen. Simon Klapwijk breekt de bakkerij af en laat een mooi herenhuis bouwen .


Dorpsstraat vóór 1900

Het was geen gelukkige verbintenis want reeds in  1851 volgt een echtscheiding.  Bastiaantje van Gent had overspel gepleegd met een zekere Cornelis Korendijk, dit kennelijk tot groot ongenoegen van haar kersverse bruidegom. Bastiaantje vertrekt in 1851 naar Rotterdam en vandaar naar Amsterdam. Simon Klapwijk verkoopt het huis aan de Dorpsstraat aan Antonie Johan van der Poest Clement en vertrekt 30 oktober 1855 naar Charlois. Hij hertrouwt aldaar op 13 augustus 1858  met Lydia Vermaat  uit Poortugaal, dochter van Arie en Neeltje Vermaat. Simon overlijdt een jaar later op 19 oktober 1859 in Charlois.
Antonie Johan van der Poest Clement, geboren 6 juni 1815 te Etten en Leur, zoon van Andries van der Poest Clement, notaris te Klundert en Fijnaart, en Josina Cornelia Vissers.
Antonie trouwt  6 augustus 1843 te Sommelsdijk met Jacoba Johanna de Graaff, geboren 13 november 1818 te Sommelsdijk, dochter van Jacob de Graaff, burgemeester van Sommelsdijk, en Neeltje Johanna Witz. Antonie is dan nog particulier, dus zonder beroep.

Bij koninklijk besluit van 1 september 1851 wordt  hij benoemd als notaris te Poortugaal.

Op 30 augustus 1861 koopt hij van de stad Schiedam het ambacht Poortugaal, vanaf die dag mag hij zich de ambachtsheer van Poortugaal noemen. Hij is lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland.

Door de familie Van der Poest Clement werd het bestaande herenhuis rond 1890 grondig verbouwd met een nieuw front en een verdieping er op. 

Antonie van der Poest Clement wordt als notaris opgevolgd door Hendrik Duifjes op 3 juli 1876.
Zoon Andries van der Poest Clement, is geboren 20 november 1850 te Zevenbergen. Hij trouwt op 16 november 1876  te Dordrecht met Geertruida Petronella Lebret, geboren 28 mei 1858 te Dordrecht, dochter van Frans Lebret en Pieternella van Straten.

Andries van der Poest Clement wordt op 25 februari 1886 benoemd  tot burgemeester van Poortugaal en Hoogvliet.  Rond 1908 wordt er naast hun huis een nieuw kantoor gebouwd.

Andries overlijdt op 10 februari 1926 te Rotterdam, zijn vrouw overlijdt op 5 juni 1948 te Poortugaal. Zoon Frans van der Poest Clement, geboren 9 juni 1880 te Poortugaal, volgt hem in 1910 op als burgemeester.

Frans van der Poest Clement trouwt 8 december 1910 te Poortugaal met Maaike Jannetje Schaberg, geboren 13 oktober 1889 te Poortugaal, dochter van Aart Schaberg en Jacoba van Dijk.  In 1911 wordt door Frans aan de Molendijk te Poortugaal, later F. v.d. Poest Clementlaan genaamd, een villa gebouwd. In het huis aan de Dorpsstraat blijft zijn zuster “juffrouw Nellie” wonen. 

Vanaf 1960 tot 1970 wordt het een verpleeghuis, “Huize Siloam”.

In 1971 wordt het pension voor de Turkse werknemers van scheepswerf Wilton Feijnoord; het wordt door burgemeester Van Huis feestelijk geopend. In 1984 komt er een einde aan het pension en wordt het gesloten.
In 1984 breekt er brand uit, de bovenverdieping brandt uit, maar wordt toch nog hersteld. In 1986 wordt het, onder veel protest van de Poortugalers, door het nieuwe gemeentebestuur van Albrandswaard gesloopt en wordt er uiteindelijk de eerste Poortugaalse supermarkt “De Spar” gebouwd. Nu is er de supermarkt Aldi gevestigd.

 

Arie Beukelman, voorzitter.


23.4 Donateur.

Zijn er wellicht nog mensen in uw familie- of kennissenkring geïnteresseerd om donateur van de Oudheidkamer Rhoon en Poortugaal te worden? Op die manier wordt het werk en de instandhouding van de Oudheidkamer gesteund.


23.5 “Het dijkje”.

Op 21 januari 1199 kocht ene Biggo van Duiveland, een Zeeuwse jonker, van de graaf van Holland, Dirk VII, een stuk grond, nou ja, een bagger- of slikplaat, liggend onder Peijdrecht, d.i. Pendrecht. Biggo bracht een aantal “neven” mee om hem te helpen van de slikplaat een polder te maken door middel van het leggen van een ringdijk.
Het gebied tussen het Oude land van Poortugaal, dat is wat nu westelijk ligt van de Van der Poest Clementlaan en de Slotvalckesteynsedijk, en de Reijerwaard, dat is waar nu Charlois ligt, was in 1199 nog een geheel onbedijkt gebied, een gorzenlandschap dat bij elke vloed, twee keer per dag, onder water liep.

Hoe lang het geduurd heeft tot Biggo en zijn medewerkers de dijk rond de nieuwe polder klaar hadden, is niet bekend, maar het zal jaren geduurd hebben. Het gereedschap dat hen ten dienste stond, was uitermate primitief: houten kruiwagens met houten wielen, houten schoppen, en misschien een aardkar op drie wielen met een paard er voor, en alles in de zware zeeklei. En alle benodigd materieel en hulpmateriaal moest met roeiboten van bv. Charlois, vijf of meer kilometers, varend door kronkelende kreken, worden aangevoerd.
Maar uiteindelijk is het hen toch gelukt de dijk klaar te krijgen, hij zal geen vijf tot tien meter hoog geweest zijn zoals onze dijken nu zijn. Eén à twee meter hoog misschien, maar toch, wat een karwei met een klein groepje mensen met zulke primitieve middelen en onder buitengewoon moeilijke omstandigheden.

De dijk werd een kleine 3 km. lang, zeg dat hij 2 meter hoog moest zijn, een kruin had van 3 meter breed en een basis  van 11 meter, dan is dat 14 m³ per strekkende meter, in totaal 42.000 m³. Dan moesten ze nog sloten graven voor de afvoer van regenwater en klepduikers maken onder de dijk door. Gelukkig hadden ze nog geen molens nodig om het water uit te malen, in die tijd was het water bij eb zo laag dat het uit de polder met behulp van klepduikers vanzelf wegliep; wanneer de vloed opkwam sloot die klep automatisch. De klep ging dus open wanneer het peil in de polder hoger was dan buiten en sloot weer wanneer het buiten hoger was dan binnen.

Er waren nog meer problemen op te lossen. Waar kon men tijdens de werkperiode verblijven, slapen en eten?

Er moesten dus onderkomens gemaakt worden en die moesten zo hoog staan dat ze droog bleven tijdens vloed, dus eerst een terp maken en daarop wat hutten bouwen, die weerbestendig moesten zijn, bestand tegen vorst en storm.

Uiteindelijk ontstond een poldertje met een omtrek van ca. 2,7 km. en ongeveer 35 ha. oppervlakte. Ziedaar het hele rijk van Biggo in de eerste tijd.
Overigens heeft hij er waarschijnlijk weinig plezier van gehad, hij overleed in 1210, misschien was de polder toen nog niet eens gereed.

Biggo werd opgevolgd door zijn zoon Heijnderijck als heer van het nieuwe land.
De polder werd een eilandje in een gorzengebied, zoiets als de Waddenzee. Bij vloed rondom water, bij eb onbegaanbare gorzen doorsneden door kreken, zoals b.v. de Zantel, die aan de zuidkant van de polder lag, waardoor men dan kon varen.
Of het nieuwe gebied direct al een naam had, weet ik niet, maar toen er veel later een tweede polder werd drooggelegd, die Nieuw Rhoon genoemd werd (nu De Huyters), was het eerste poldertje vanzelf Oud Rhoon.
De polder werd omringd door drie dijken die waarschijnlijk pas veel later hun naam kregen: de Dorpsdijk, de Werkersdijk en de Oud Rhoonsedijk.

Dat die namen veel later kwamen is logisch, in het begin was er nog geen dorp, dus geen Dorpsdijk.
De familie Van der Wercken waar de Werkersdijk naar is genoemd, leefde in de zeventiende eeuw.
De derde dijk, de Oud Rhoonsedijk, kan zijn naam simpelweg danken aan het feit dat het een dijk is van de polder Oud-Rhoon. Maar het zou ook kunnen zijn, omdat de Oud Rhoonsedijk door een grenswijziging in Poortugaal terecht kwam, het de dijk werd die vroeger Rhoons was en daarna Poortugaals, dus “Oud”-Rhoonsedijk.
In 1806 kregen wegen en dijken officieel geregistreerde namen.

Nu is er niet veel meer van te zien dat de Oud Rhoonsedijk ooit een waterkerende dijk was, een klein deel ligt nog ca. 1 m. boven polderniveau, het grootste deel is nauwelijks nog iets hoger dan het omliggende land. De dijk is, waarschijnlijk al heel lang geleden, afgegraven t.b.v. het maken van nieuwe dijken en ook ingeklonken (gezakt).

Frappant is dat b.v. de Dorpsdijk op plaatsten waar al vroeg bebouwing was, minder is afgegraven dan elders.
Verder heeft het egaliseren t.b.v. rioleringaanleg, bestrating, e.d. aan de verlaging van de dijken meegewerkt.
Van de Oud Rhoonsedijk is dus eigenlijk maar een “dijkje” overgebleven en zo werd het in mijn kindertijd ook vaak genoemd.

 

Oud Rhoonsedijk

Aan dat dijkje ben ik in 1931 geboren en daarna opgegroeid, in het huis rechts op de foto. Mijn ouders en twee oudste broers staan vóór het huis. Foto van ca. 1906. Het huis staat er nog steeds, inmiddels door anderen bewoond.

 

Van 1935 tot nu heb ik het dijkje en omgeving sterk zien veranderen.
Toen mijn vader in 1923 daar een huis bouwde, was het een onverharde kleiweg, eigenlijk niet meer dan een karrenspoor t.b.v. de aanliggende landerijen, en soms was het onbegaanbaar. Wanneer mijn ouders in de winter ’s zondags naar de kerk wilden gaan, liepen ze eerst op klompen of laarzen naar het eind van de weg en trokken dan daar hun schoenen aan.
Een oom van mij, met gevoel voor humor, stuurde eens een felicitatiekaart aan mijn ouders, als volgt geadresseerd: Fam. B.A. Dubel, Modderdijkje, Rhoon, en de kaart kwam terecht.
Er was toen ook nog weinig bewoning: aan beide einden van het dijkje stond een enkel huis. Mijn vader was de eerste die wat verderop aan het dijkje ging bouwen in 1922. Er waren ook nog geen voorzieningen. De gasleiding kwam het eerst. Aanvankelijk was er geen elektriciteit en geen waterleiding. Drinkwater kwam van het dak van het huis, opgevangen via goten en buizen in een betonnen waterkelder, regenput genoemd.

Al het andere gebruikswater, b.v.  voor de was, moest uit de sloot worden geschept.
Het slootwater vervuilde echter al snel omdat ook het afvalwater van toilet en gootsteen (badkamers waren er nog niet) in de sloot terecht kwam, weliswaar via een beerput en later een septictank, maar die sloot werd al spoedig een open riool, temeer omdat ook andere bewoners die aan het dijkje bouwden, hetzelfde deden. En zo ging het overal op het platteland.
In 1956 werd in Rhoon in de Dorpsdijk de eerste riolering aangelegd. Poortugaal volgde wat later.
De verharding van de weg op de Oud Rhoonsedijk liet aanvankelijk ook, zoals reeds gemeld, veel te wensen over. Eerst alleen klei en blubber, in de jaren ’30 werd er wat koolas aangebracht (dat was een restproduct van de Rotterdamse vuilverbranding), in de oorlogsjaren en tot ca. 1960 werd er weer niets aan gedaan, in de jaren ’60 werd er voor het eerst geasfalteerd, waarschijnlijk mede omdat er toen enige industrie werd gevestigd.
De Oud Rhoonsedijk had dus lange tijd weinig status en werd door ons vaak “Het Dijkje” genoemd.

Ik woonde in mijn jeugd aan dat stille dijkje waar nooit iets gebeurde en waar bijna niets of niemand voorbijkwam. Maar geleidelijk veranderde het tot wat het nu is, een geasfalteerde weg met vrij druk verkeer, aan weerszijden volgebouwd met woningen en uiteraard voorzien van alle moderne verworvenheden.
Aanvankelijk hadden wij vanuit ons huis via de weilanden van de polder Oud Rhoon, uitzicht op het dorp Rhoon met kasteel, dorpskerk en Wapen van Rhoon. Dat veranderde toen Rhoon Noord werd volgebouwd, eerst in de jaren ’50 met kabelfabriek e.a. industrie. In de jaren ’90 weer afgebroken en door woonhuizen vervangen.
Toen ik een kleuter was gebeurde er nooit iets aan het stille dijkje, nou ja een enkele keer gebeurde er wel iets.
Tegenover ons huis, aan de overkant van de weg, was een wetering, een hoofdwatergang, een brede diepe sloot. Daarin verdronk een jongetje van mijn leeftijd. Ook gebeurde het, hoewel er bijna geen verkeer langs kwam, dat twee vrachtautochauffeurs het in hun hoofd kregen, dat zij elkaar op het allersmalste gedeelte, waar aan beide zijden een sloot was, moesten passeren en ik stond daar met mijn speelgoedkruiwagentje. Ik werd, ca. 5 jaar oud, bijna door die vrachtauto’s in de wetering gedrukt.

Een andere keer viel ik er wel helemaal in, maar werd gelukkig door de buurman, die op het hulpgeroep van mijn moeder aan kwam rennen, eruit gehaald.
Later, toen was ik al een jaar of twaalf, zakte ik door het ijs, maar kon toen mezelf redden. Nog later dreef er een klein buurjongetje midden in de sloot. Ik weet niet waarom hij bleef drijven. Hij werd, gealarmeerd door het hulpgeroep van zijn moeder, door mijn grote broer gered.
Ook een bijzondere gebeurtenis was, dat wagen en paard van de melkboer, die dagelijks langskwam, in de sloot terecht kwamen omdat het paard ergens van schrok en achteruit ging lopen. Dat gaf een enorme heisa. Een paard is heel moeilijk uit een sloot te krijgen, zelf kan hij het al helemaal niet. Dus alle mannen die in de hele omtrek te vinden waren (het was gelukkig zaterdagmiddag), kwamen helpen om met behulp van touwen het paard weer op het droge te krijgen. Hulpdiensten, met of zonder kraanwagens, het was er allemaal nog niet.

Behalve de melkboer kwamen ook andere leveranciers min of meer regelmatig langs; de bakker elke dag, kruidenier en slager een keer per week vragen en een keer per week bezorgen, ook de groenteman kwam langs.
Verder waren er wat meer bijzondere mensen die wel eens langskwamen, zoals Het Leger des Heils; dat was een groepje vrouwen en mannen, dat geestelijke liederen zong.
Ook drie mannen met een draaiorgel op houten wielen met ijzeren banden erom, zoals alle wagens toen hadden. Ze kwamen uit Rotterdam lopen met dat zware kreng, ze duwden zich rot, vooral op de Oud Rhoonsedijk met zijn putten en bulten.
Eens kwam er een man langs met een bakfiets, waarop zich een soort aquarium bevond, erin een niet al te grote haai. Die kon je dan komen bekijken. De man kondigde zich aan door steeds te roepen: “Een groene haai uit de blauwe zee”.
’s Zomers kwam ook een ijsboer regelmatig langs met een bel aan zijn ijskar. Ik liep vaak een eind met hem mee, maar kreeg nooit een ijsje van mijn moeder, er werd erg zuinig geleefd, het was tijdens de grote crisis van de jaren dertig. Ook een visboer kwam regelmatig langs met nieuwe haring, hij riep iets als “haringasaam”, het betekende “haring als zalm” zo lekker, die kocht mijn moeder wel en die lustte ik ook graag. Geen ijs, wel vis!

Roelof Dubel, bestuurslid.


23.6 De nieuwe trap.

De trouwe bezoeker van de Oudheidkamer ziet minimaal één keer per jaar een nieuwe tentoonstelling. Wat deze trouwe bezoeker niet zal opvallen zijn kleine verbeteringen of reparaties in de Oudheidkamer. Een defecte schakelaar die vervangen is of een kwastje verf over een kozijn, die dingen vallen bijna niet op. Toch komt dit soort zaken regelmatig voor. Al deze reparaties worden door bestuurslid Roelof Dubel belangeloos uitgevoerd. In de klokkenkamer, voor de bezoeker niet toegankelijk, is een muur met daarin een raamkozijn totaal vernieuwd kun je wel zeggen. In de stijlkamer, voor de bezoeker wel zichtbaar, is het tegelplateau achter de kachel opnieuw betegeld. Roelof hoeft niet in het zonnetje gezet te worden maar zo af en toe…

Het laatste huzarenstukje dat Roelof gemaakt heeft is een nieuwe trap naar de kelder. Wie van u verstaat de kunst een trap te maken en zo ja doet u dat dan ook nog als u de leeftijd van 80 jaar al vele jaren gepasseerd bent? De oude trap, een metalen onding met smalle ronde treetjes en zonder leuning was een gevaar om af te dalen.

Roelof stelde tijdens de bestuursvergadering van afgelopen juni voor om de metalen trap te vervangen. Hij was klaar met het opknappen van de kelder dus had hij weer wat tijd over. Stilzitten op die leeftijd, en niks doen is ook zo wat, zal hij gedacht hebben.

Met algemene stemmen werd het idee tijdens de vergadering  goedgekeurd.

Op 28 november j.l. is de trap door Roelof zelf in klein comité officieel geopend en in gebruik genomen.

Een rechte steektrap zonder stootborden, én… met een leuning, een waar meesterstuk.

Jan Klingens, bestuurslid.

 


1960

 23.7 Oudheidkundige vondsten bij Poortugaal en Rhoon.

In een weiland, “De Heuvel” genaamd, bij de Achterweg te Poortugaal zijn opnieuw resten van vroegere bewoning aangetroffen. Op een diepte van circa 90 cm. onder het maaiveld zijn aardewerk scherven gevonden van het z.g. Pingsdorftype. Dit aardewerk is vooral in gebruik geweest van de tiende tot de twaalfde eeuw, hoewel ook in het begin van de dertiende eeuw aardewerk vervaardigd werd, dat hier sterk mee overeenkomt. Bij vergelijking met het zelfde soort aardewerk dat in de Wieringermeerpolder aangetroffen is, kan men het hier gevondene met enig voorbehoud stellen op de elfde eeuw. Oudere datering lijkt niet juist, daar het gebied van Poortugaal in de negende eeuw aan sterke overstroming heeft bloot gestaan ten gevolge van de z.g. Karolingische transgressie, een stijging van de zeespiegel ten opzichte van het vaste land.

Een kroniekschrijver uit de eerste helft van de elfde eeuw, Albertus van Metz, vermeldt dat kort voor het jaar 1018 kolonisten van Friese oorsprong zich vestigen in het Merwedebos, een gebied dat voordien nog onbewoond was en waarin alleen jachtrechten door de Duitse keizer waren uitgegeven. Dit gebied heeft zich blijkens recente onderzoekingen uitgestrekt van Geervliet tot Dordrecht. Het is mogelijk dat de gevonden scherven van deze kolonisten en hun nakomelingen afkomstig zijn. Het woord “fries” moet niet opgevat worden als afkomstig uit de tegenwoordige provincie Friesland, maar uit het gebied ten noorden van de Nieuwe Maas.

De vindplaats ligt juist naast een woonheuvel, waarin enige tijd geleden door de eigenaar van de er op staande boerderij, de heer G.J. Vermaat, eveneens een vrijwel gaaf dertiende eeuws kruikje werd aangetroffen.

In de polder Zwaardijk, tussen Rhoon en Poortugaal, zijn bij het uitdiepen van een sloot opnieuw fragmenten van Romeinse dakpannen gevonden.

De meest geheimzinnige vondst werd onlangs gedaan in de Zegenpolder ten zuiden van Rhoon. Hier zijn bij het ploegen drie stukken aangetroffen van een grote zandstenen vijzel. Deze vijzel is versierd met gotische bloemknopmotieven en dateert uit de latere middeleeuwen, een periode waaruit geen bewoning op deze plaats bekend is. De vraag blijft of hier vroeger een kleine polder gelegen heeft, welke ondergegaan is, of dat de vijzel afkomstig is van een schip.

Uit het bovenstaande blijkt, dat de mogelijkheden tot het doen van oudheidkundige vondsten binnen en in de onmiddellijke omgeving van Rotterdam veel groter zijn dan vroeger algemeen werd aangenomen. Het is van het grootste belang dat, indien men meent, dat aardewerkscherven, funderingsresten e.d. in de bodem aanwezig zijn, hiervan melding gedaan wordt bij een van de twee onderstaande adressen: 

De archeologische werkgroep “De Nieuwe Maas”, p/a Instituut Stad en Landschap Zuid Holland, Delftsestraat 15b, Rotterdam;
De coördinatiecommissie voor archeologisch onderzoek te Rotterdam, p/a H.J.E. van Beuningen, Vijverlaan 32, Rotterdam.

 -.-.-.-.-.-.-.-.-.-

 

Bestuur en medewerkers van de Oudheidkamer Rhoon en Poortugaal wensen alle donateurs een goed en gezond 2017.

 

 

Nieuwsbrief nr 23 – januari 2017